is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het nieuw gekozen lid zou zijn vervuld.

Waar echter op den dag, waarop de onderwerpelijke benoeming tot wethouder plaats vond , van de drie na periodieke aftreding verkozen raadsleden nog slechts twee waren toegelaten en dus niet met zekerheid was te constateeren of de plaats als raadslid van den afgetreden wethouder was vervuld, is die benoeming tot wethouder, welke dus moest wachten tot alle drie nieuwe raadsleden waren toegelaten , geschied in strijd met de wet.

1. onwettige uiloefening van bevoegdheid.

1. de wet moet aldus worden toegepast, dat geene onzekerheid kan bestaan omtrent de vraag, of aan daarbij gestelde eischen is voldaan.

3. interpretatie, waar wordt aangenomen . dat de gemeentewet onderscheid maakt tusschen het aftreden van eenen wethouder en het openvallen van de plaats vaneenenwethouder en waar wordt uitgemaakt, dat in casu het laatste geval aanwezig en dus art. 84 van toepassing is; interpretatie, waar wordt uitgemaakt, dat de termijn, gesteld bij de 2de alinea van art. 84, niet begint te loopen, voordat de zekerheid is verkregen, dat de opvolger in de plaats als raadslid is toegelaten, terwijl die zekerheid in casu wordt geoordeeld, niet te zijn verkregen;

interpretatie, waar dus de Me alinea van art. 84 in casu geschonden wordt verklaard ;

interpretatie, waar wordt aangegeven, wanneer bedoelde zekerheid in een geval als het onderwerpelijke wel zou zijn verkregen, nl. eerst nadat alle gelijktijdig opengevallen plaatsen in den zin der wet waren vervuld door toelating vanallenieuwgekozenraadsleden.

4. de vernietiging is gebaseerd op het doen eener benoeming, voordat volgens juiste opvatting de bij de wet gestelde termijn voor zoodanige benoeming was aangebroken, als gevolg van het niet in acht nemen eener bij de wet gemaakte onderscheiding.

Wij Willem III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 7 November 1883, no. 4728, afdeeling Binnenlandsch bestuur, tot vernietiging van het raadsbesluit der gemeente Eist, dd. 4 September jl., waarbij G. H. Wouters tot wethouder is benoemd;

Overwegende, dat die benoeming heeft plaats gehad ter vervanging van D. A. Tap, die in 1884 als wethouder zou hebben moeten aftreden, maar met den eersten Dinsdag van September 1883 als raadslid aftredende, alstoen ophield wethouder te zijn;

dat de gemeentewet onderscheidt tusschen het aftreden van een wethouder en het openvallen van de plaats van een wethouder; met het eerste bedoelende den afloop van den ambtstijd van wethouder als in artt. 80, 81 en 82 is bepaald, in tegenstelling met alle andere redenen, waardoor de plaats van een wethouder komt open te vallen;

dat voor de nieuwe keuze in liet eerste geval art. 83 en voor de nieuwe keuze in het tweede geval art. 84 den tijd bepaalt;

dat de ambtstijd van den wethouder D. A. Tap te Èlst nog niet was afgeloopen, toen zijne plaats op den eersten Dinsdag van September 1883 openviel, zoodat hij niet geacht kon worden in den zin der wet als wethouder te zijn afgetreden;

'dat dus niet art. 83 maar art. 84 moet worden opgevolgd bij de benoeming van diens opvolger;

dat laatstgenoemd artikel voorschrijft de benoeming te doen plaats hebben binnen 14 dagen na het openvallen der wethoudersplaats en bepaalt dat indien dit laatste, gelijk hier het geval is, gepaard gaat met het openvallen van een plaats in den raad , de 14 dagen beginnen te loopen van den dag waarop het ter vervulling benoemde lid is toegelaten;

dat alzoo niet tot de benoeming van een opvolger van den wethouder D. A. Tap kan worden overgegaan, dan nadat de zekerheid verkregen is, dat het raadslid, dat genoemden D. A. Tap vervangt, toegelaten is;

dat van de drie leden, verkozen ter vervanging van de drie raadsleden die met den eersten Dinsdag van September 1883 aftraden, op 4 September nog slechts twee waren toegelaten;