is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a' IJ eene der onderwerpelijke bepalingen is, zelfs onder strafbedreiging tegen niet nakoming, ook aan vrouwen, die ambtshalve als publieke vrouwen zijn ingeschreven, de verplichting opgelegd die inschrijving te onderteekenen Het opieggen van zoodanige verplichting enkel op grond van eene eenzijdige beslissing en verrichting der administratie gaat echter verder dan de bevoegdheid, bij art. 135 der gemeentewet aan den raad toegekend, medebrengt.

b. Zie met eene enkele wijziging letter b. van het bovenschrift bij K B van 26 September 1889 (Stbl. no.' 124) "O- 213 dezer afdeeling.

'' Afte°?Wettl'Je uitoefening van bevoegd-

2. a. bij de wet toegekende bevoegdheid ■ mag niet worden overschreden d. a. interpretatie, waar wordt uitgemaakt, dat de onderwerpelijke verplichting van zoodanigen aard is, a-at de raad buiten de hem bij art. , ' toegekende bevoegdheid qaat i door haar op te leggen. 4. de vernietiging is gebaseerd op ■ \ a. het opleggen eener verplichting i waardoor kennelijk de bij de wel y

oegekende verordeningsbevoegdheid t wordt overschreden. r Zie voorts letter b. bij sub 1-4 van het 1 bovenschrift bij K. II. van 36 September 1889 (Stbl. no. 1-24) _ no. g %13 dezer afdeeling. ^

In naam van Hare Majesteit Wilhel- w mina, enz.

Wij Emma, enz. 11

™!?Pirde voon]racht van den Minister b, van Binnenlandsche Zaken, van 12 De- li cember 1892, „o. 5803, afdeeling BB h,

art eerste iid van "i

alt 4, het derde lid van art. 7 het

derde en vierde lid van art. 12 en het zi

ni™ rf Van art' 13 Van de verorde- " ng l'ei gemeente Gouda, van 48 De- va cember 1888, regelende het politietoezicht op de huizen van ontucht en de publieke Mi vrouwen in die gemeente;

bepalingen?nde' ^ de ^^aalde

I. de onderteekening der inschrijving ook voor vrouwen, wier inschrijving lid

3e- ambtshalve plaats heeft, verplicht wordt >e- gesteld;

ok II. de commissaris van politie bevoegd ve wordt verklaard te zorgen, dat publieke [e- vrouwen naar de voor de visitatie bed , stemde plaats en naar een ziekenhuis (n worden gebracht;

ir- . aan de publieke vrouw, die in

le een ziekenhuis is geplaatst woidt verig ,e," • -esticht te verlaten dan na er verklaring van den geneeskundige, dat zij volkomen hersteld is;

Overwegende, wat punt I betreft, dat eene ingeschreven vrouw, welke die onderteekening weigert, ook indien zij t- inderdaad geene publieke vrouw is 3. wegens het niet nakomen van die verd. pachting door den rechter veroordeeld en tot straf zou moeten verwezen worden ■ dat het opleggen van zulk eene ver-

- pachting — nog wel met strafbedreiging

enkel op grond van eene eenzijdige

i beslissing en verrichting der administratie

verder gaat dan de bevoegdheid, bij art.

- 135 der gemeentewet aan den gemeen-

- teraad toegekend ;

dat de hierbedoelde bepaling in boven. vermelde verordening dus in strijd is met , art. ldo der gemeentewet;

Overwegende, wat punt II en III betreft dat bij de daarbedoelde bepalingen inhechtenisneming of aanhouding wordt voorgeschreven, zonder dat daarbij van een bevel des rechters, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, sprake is of wezen kan:

dat volgens art. 157 der Grondwet de gevallen, waarin iemand zonder bevel van den rechter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, in hechtenis ma.» worden genomen, moeten bepaald zijn m de wet; J

dat de gevallen, waarin volgens de boven sub II en III aangehaalde bepalingen der verordening dergelijke vrijheidsbeneming zou mogen plaats vinden niet m de wet zijn bepaald;

dat mitsdien die bepalingen in striid zijn met art. 157 van de GrondwetDen Raad van State gehoord (advies

van 10 Januari 1893, no 38)-

Minfl6" het "ader ,aPP°rt' van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 19 Januari 1893, no. 303, afd. BIJGelet op art. 153 der gemeentewet; Hebben goedgevonden en verstaan: het eerste lid van art. 4; het derde van art. 7; het derde en vierde lid

26*