is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of de huishouding der gemeente betreffen ;

dat de bovenvermelde artikelen in de verordening der gemeente Utrecht noch in het belang der openbare orde, zedelijkheid of gezondheid worden vereischt, noch de huishouding der gemeente betreffen ;

dat toch, al moge bewijsbaar zijn, dat de gezondheid der bewoners onder overbevolking en besmetting met ongedierte lijdt, een en ander in elk geval behoort tot hunne bijzondere gezondheidszorg en hieromtrent noch bij de gemeentewet noch bij eenige andere wet eenige bevoegdheid aan de gemeentebesturen is toegekend;

dat volgens art. 142 der Grondwet de bevoegdheid der gemeentebesturen wordt geregeld bij de wet;

dat mitsdien genoemde artikelen van de verordening der gemeente Utrecht in strijd zijn met de wet;

Gelet op art. 153 der gemeentewet;

Den Raad van State gehoord (advies van 22 Juni "1897, no. 16);

Gezien het nader rapport van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 8 Juli 1897, no. 8199, afdeeling Binnenlandsch Bestuur;

Hebben goedgevonden en verstaan:

artikel 10 en artikel 11 der verordening, houdende voorschriften in het belang der openbare gezondheid voor de gemeente Utrecht, te vernietigen wegens strijd met de wet.

De Minister enz.

Het Loo, den 12den Juli 1897.

(get.) Emma.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) Van Houten.

N°. 242. Koninklijk Besluit van den Hden Augustus 1897 (Stbl. n°. 191) tot vernietiging van een artikel der algerneene politieverordening van de gemeente Hillegoni.

Bij de artt. 4—9 van de verordening betreffende het leggen van spoorstaven in de openbare wegen en haar gebruik in de provincie ZuidHolland zijn reeds voorschriften gegeven nopens de veiligheid van het verkeer langs de trambanen,

zoodat dit onderwerp dus is erkend eene zaak van provinciaal belang te zijn.

De raad heeft dan ook gehandeld in strijd met art. 150 der gemeentewet, door bij de onderwerpelijke verordening alsnog voorschriften ter zake te geven.

Zie mutatis mutandis sub 1—4 van het bovenschrift bij K. B. van 24 September 1860 (Stbl. no. 50) — no. 76 dezer afdeeling.

In naam van Hare Majesteit Wilhelmina, enz.

Wij Emma, enz.

Op de voordracht van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 8 Juli 1897, no. 3181, afdeeling Binnenlandse!» Bestuur, betreffende art. 107 der Algerneene Politieverordening van de gemeente Hillegom;

Overwegende, dat dit artikel luidt;

„Bij het verlaten of inrijden van de remise door een tram, locomotief, losse wagen of lorrie en het brengen van deze van het zijspoor op de hoofdlijn, of omgekeerd , zal steeds iemand van het trampersoneel, met een witte vlag, lantaarn, of ander duidelijk zichtbaar teeken op den publieken weg aanwezig moeten zijn, om aankomende rijtuigen of personen te waarschuwen.

„Losse wagens, locomotiefs of lorries zullen niet onbeheerd op het zijspoor worden geplaatst;"

dat artt. 4—9 van de verordening betreffende het leggen van spoorstaven in de openbare wegen en haar gebruik in de provincie Zuidholland, opgenomen in het Provinciaal blad van Zuidholland, no. 58, 9 en 47, respectievelijk van de jaren 1886, 1889 en 1890, voorschriften geven omtrent maatregelen, door voerlieden en machinisten van spoorwagens in acht te nemen in het belang van de veiligheid van het verkeer; omtrent toestellen, waarvan een trein of wagen in het belang der veiligheid van het verkeer voorzien moet zijn; omtrent het gebruik dier toestellen, en omtrent het rijden met een trein of voertuig;

dat het geven van voorschriften nopens de veiligheid van het verkeer langs de trambanen alzoo is erkend eene zaak te zijn van provinciaal belang en als zoo-