is toegevoegd aan uw favorieten.

Kiekjes uit de Soendalanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woonde, die soms jonge menschen als zijn leerlingen aannam.

Naar dezen kluizenaar ging hij toen op weg. De kluizenaar ontving hem in zijne kleine kamer die met saroengs. met gouddraad doorstikt, was behangen, maar waarin geen straaltje licht doordrong.

„Vindt gij die saroengs niet mooi?" zoo vroeg hij aan den prins. „Hoe kan ik weten of ze mooi zijn, antwoordde deze, als ik ze niet kan zien?"

„Juist", zoo leeraarde de onderwijzer, „gij moet daaruit leeren, dat, voor wie geen oogen heeft om te zien, ook de schoonste dingen der wereld verborgen blijven". Toen gaf hem de leermeester een prachtigen hengel met vischtuig.

„Schrijf hiermede nu eens een brief aan uw vader", gelastte hij aan zijn leerling.

Maar deze antwoordde, dat een hengel, hoe mooi ook, geen geschikt werktuig was om een brief te schrijven. Toen gaf hem de kluizenaar een gouden pen en gelaste hem daarmede te visschen; waarop de prins opmerkte, dat een pen al even ongeschikt was om te visschen, als een hengel, om er mede te schrijven.

„Qoed zoo," sprak daarop de leermeester, „gij moet daaruit leeren, dat wij dan alleen nut hebben van wat God ons geeft, als wij er het rechte gebruik van maken".

Toen de prins een jaar de lessen van den wijzen man had gevolgd, keerde hij naar huis terug. De koning verwachtte, nu de beide andere prinsen hem zoo hadden teleurgesteld, niet veel van dezen derden en minst ervaren zoon.

„En gij," zoo vroeg hij, „wat brengt gij mede naar huis?"