is toegevoegd aan uw favorieten.

Van een Papoesch slavenkind

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hol doordringend gebrom lieten hooren, dan was het er voor den vreemdeling wel wat ongezellig en huiveringwekkend.

Was het stil weder en de zee vlak, dan kon men turen ver, heel ver weg en genoot men van het schoo-

ne vergezicht.

Het erf was versierd met heesters en bloemen en

maakte een zeer gezelligen indruk.

De bewoners bestonden uit den zendeling en zijn vrouw en een kind, benevens een aantal Papoesche kinderen, jongens en meisjes uit verschillende streken van het groote land geboortig. Zij waren de huisgenooten, die het werk verrichtten, dat elders in Indië

de bedienden doen.

De jongeren gingen des morgens naar de school, waar zij met een groot aantal andere kinderen, die in het heidensche dorp woonden, onderwijs genoten.

Dat heidensche dorp was aan het strand gebouwd en bestond uit een io-tal groote huizen, op palen gebouwd, waarin een groote menigte menschen woonde, soms wel honderd in één huis.

Was de schooltijd afgeloopen, dan wist ieder der

huisgenooten zijn werk.

Allerhande arbeid moest door den zendeling worden gedaan. Timmerman noch smid woonde er en daarom moesten de jongens helpen bij allerlei werk. De meisjes vonden haar werk in de keuken en in huis en des middags werd er gepoot, geplant, gewied, om te trachten zooveel mogelijk voedsel te halen uit den bodem, want het gezin was groot en de magen moesten worden gevuld en het jonge volk was voor geen klein geruchtje vervaard als het op eten aankwam.