is toegevoegd aan uw favorieten.

Onthullingen uit de vrouwenkampen in Zuid-Afrika

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soldaat. Zij is inwendig gekwetst, 't Is waar, de man is gestraft, maar daarmede het kwaad niet hersteld.

15 April.

Den geheelen namiddag werd ik opgehouden door den neerstroomenden regen. De vloer van de tent was een poel, welke de kafferjongen vruchteloos leeg trachtte te hoozen. Het water droop gestadig neer en maakte plassen op bedden en matten, waar wij op zaten, twee kaffers en vijf kinderen. Mrs. L en ik in een atmosfeer, die steeds benauwder werd, tot ik, als gewoonlijk onpasselijk, mij naar buiten moest begeven.

Wanneer het 's nachts regent, zooals vaak gebeurt, dan druipt het gestadig op deze menschen en wordt de grond der tent een poel. Geen wonder, dat de kinderen ziek worden en sterven. De dekking van de tent is zoo dun en daarom zoo onvoldoende.

Bloemfontein, 22 April.

Ik ben weer terug in Bloemfontein, ik kwam hier gisteren aan d. i. 2V> dag van Kimberley. Het werk in het kamp wordt zoo omvangrijk, dat ik het niet langer alleen kan verrichten. Hier zijn er nu ongeveer 4000 of het dubbele aantal van dat, wat ik zes weken geleden verliet. Te Springfontein vond ik een klein kamp van 500, nu is het toegenomen tot 3000 en zooals we vernamen, is er gistermorgen een trein gekomen met 600 menschen. Ze zijn beklagenswaardig en 't is roerend hen te zien opgepakt in den trein, velen van hen in open wagens, terwijl het zoo bitter koud is, dat ik mij in een grijze shawl wikkelen moest. Den geheelen nacht had het voortdurend geregend en 't water vormde overal groote plassen. Op den doorweekten grond trachtten zij zich zelf en hun kleederen te drogen.

Er waren vrouwen die tot het perron zich een weg zochten te banen om voedsel voor haar kinderen te koopen, maar 't werd hen door de soldaten geweigerd. Ik onderhield deze mannen ernstig over hun gedrag. Ze zeiden mij, dat zij ook medelijden met deze ongelukkigen voelden, maar in de eerste plaats hun orders moesten opvolgen. Het was Zondagmorgen en Springfonteins eenige winkel gesloten. Ik wist dat de wachtkamer de eenige plaats was, waar men voedsel kon verkrijgen. Juist kwam er eene jonge vriendin van mij aan met een ketel koffie, gezonden door het zendelingenstation. Bij 't passeeren met den trein had ik de bewoonster toegewuifd. Nu gingen

zij en ik naar de gevangen vrouwen en ik deelde al het voedsel uit dat ik bij mij had. Gelukkig had ik juist een tweestuiversbrood (voor een shilling) gekocht en had ook wat vleesch in 't blik.

Een vriendelijke vrouw met zeer bleek gelaat sprak ons aan. Zij had twee dagen gereisd en geen voedsel was haar uitgereikt. Haar twee kinderen bestierven het van honger. Ik gaf aan 'mijn vriendin wat geld en zei haar, al het voedsel in 't station voorhanden te koopen en onder deze ongelukkigen te verdeelen. Zij beloofde mij hier den dag aan te wijden en niet ter kerke te gaan. Ik had nog juist tijd genoeg in den trein te springen. Gaarne had ik gebleven, maar mijn pas was niet afgestempeld en dus moest ik voort, doch ik weet, dat ze haar best zal doen; ze is wel slechts vijftien jaar, maar zachtaardig en toont echt vrouwelijk gevoel te bezitten. Als er te Springfontein geen ruimte was voor deze menschen, zou de geheele lading naar Bethulie worden gezonden, waar een nieuw kamp is gebouwd. Het is eindeloos en hopeloos. Ik heb gehoord van een man, die de zelfde vracht ontmoette te Edenburg, dat drie kinderen tijdens de reis stierven.

Indien het kamp was gebleven, zooals ik het zes weken geleden vond, dan was misschien in staat geweest door organiseeren en beter toezicht de ellende te verminderen, maar deze aanvoer van honderden en duizenden in reeds volle kampen, heeft mijn geheele plan vernietigd en ik ben wanhopig er iets van te maken.

Omtrent het voedsel ook nog eenige opmerkingen. De controleur van elk kamp krijgt rantsoenen naar 't aantal menschen, maar nu werden er plotseling 200 ingebracht en de verdeeling wilde niet vlotten. Verleden Zaterdag waren 200 of 300 families zonder vleesch, en Zondag daarop kon men hun ook niet geven wat hun toekwam. Dit zou er niet op aan komen, indien er afwisselend voedsel uitgereikt werd, maar er wordt slechts grof brood verschaft, waarop men het leven houdt met zwarte koffie en suiker.

Geen wonder, dat ziekten overvloedig voorkomen. Sinds ik deze plaats zes weken geleden verliet, zijn er 62 sterfgevallen voorgekomen, en de dokter zelf is zeer ziek in de ingewanden. Twee van de boerenmeisjes, die als verpleegsters dienst deden, zijn ook gestorven. Een van hen heette Poppy Naudy. Ze was de lieveling van allen. Zij wist niet, waar haar moeder zich bevond. Haar vader is in Norvals Pont en er was reeds over gesproken, dat ik haar mede zou nemen, om die twee te hereenigen, maar ten laatste bedacht ze, dat het misschien beter was hier te blijven, want ze deed iets nuttigs hier en verdiende bovendien 2 shilling per dag. Ze wilde liever in Bloemfontein blijven verplegen.