is toegevoegd aan uw favorieten.

Zuid-Afrikaansche schetsen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

„KERK."

't Was „kerk" te IJstervarkkloof. ')

Het houten godshuisje, dat zich van de drie-honderdvijf-en-zestig dagen welke een jaar telt minstens driehonderd-vijftig staat te vervelen in de eenzame vallei, daar het te ver verwijderd is van IJstervarkspruit, om zich in het water van dat riviertje te kunnen spiegelen, verheugt zich dezen dag in 't genot van een groot aantal witgehuifde ossenwagens, waartusschen heldere tenten, om zich te zien. Trotsch op die eer steekt zijn zwart-rieten dak deftig boven al dat nietig blanke uit, als wilde het daardoor nog verhoogen den eerbied en de vrees voor Hem, die binnen zijne naakte muren gediend wordt.

En nog altijd komen nieuwe wagens aan, langs het zandig pad: als een bonte slang, die log over den „nek" (pas) kruipt, zich traag voortslingert door 't vale veld — 't is winter — en zich door 't schuifelen hult in een dwarrelenden stofwolk, om zich steeds dichter op te rollen om het kerkgebouw, dat echter, verre van beklemd te raken, zich altijd barscher verheft boven het zich uitzettende witte kamp.

Uit het stof knallen zweepslagen, dicht bij en ver af u in de ooren, afgewisseld door 't langgerekt

*) IJstervark — ijzervarken — noemt men in Z. A. 't stekelvarken.