is toegevoegd aan uw favorieten.

Algemeene geschiedenis in beknopten vorm

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verachting van allen godsdienst zag men niet alleen in Frankrijk, maar ook zeer veel in andere landen.

Toen de geldelijke toestand onhoudbaar geworden was, droeg Lodewijk XVI (1774—1792) aan Necker (een bankier, uit Genève afkomstig) het bestuur der financiën op. Deze aanvaardde die taak onder voorwaarde, dat de koning de StatenGeneraal bijeenriep. 300 edelen, 300 geestelijken en 600 afgevaardigden van den derden stand kwamen te Versailles samen. Spoedig ontstond er oneenigheid tusschen _hen, en de derde stand verklaarde daarop, dat hij alleen de natie vertegenwoordigde. Hij noemde zich daarom de Nationale Vergadering en verklaarde, dat hij niet uiteen zou gaan, vóór hij Frankrijk eene grondwet gegeven had.

Alisnoegd over den loop der zaken, verzamelde de koning troepen bij Versailles en ontsloeg Necker. Het verwoede volk bestormde en sloopte toen de beruchte staatsgevangenis, de Bastille, en op het platteland werden vele kasteelen van den adel in de asch gelegd. De Nationale Vergadering, waarin de welsprekende Mirabeau de hoofdpersoon was, vernietigde thans alle voorrechten van adel en geestelijkheid. Zij voerde gelijkheid van belasting in voor alle standen, bepaalde, dat ieder ambten mocht bekleeden en schafte de heerlijke rechten en de tienden af. De kloosters werden opgeheven, de geestelijke goederen tot staatseigendom gemaakt. Men verklaarde dat alle burgers gelijk waren voor de wet en tevens, dat de hoogste macht bij het volk berustte.

Duizenden verlieten het land, en ook de koning, die door eene woeste bende volks van Versailles naar Parijs gevoerd was, ging op de vlucht. Hij werd evenwel door een postmeester herkend en naar Parijs teruggevoerd. Thans was het met zijn gezag geheel gedaan. De woede des volks steeg nog, toen de hertog van Brunswijk, aan het hoofd van een Duitsch leger, naar Parijs oprukte (1792). Het gepeupel, versterkt door het uitschot van andere steden, bestormde de Tuileriën en de koning zocht zijn toevlucht bij de volksvertegenwoordiging.

VAN RIJSENS, Alg. Gesch. 9e druk. 7