is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Bethel-boek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met hoofdbukken, en trapjes afstijgen kon inkomen. — Nog herinner ik mij zoo levendig den avond, dat ik in Januari 1899 er voor 't eerst binnenkwam, al mede ter introductie voor mijne geliefde, onvergetelijke vrouw, die met mij in die dagen zes weken in Brussel heeft verwijld, om met mij en naast mij het arbeidsveld in oogenschouw te nemen, tijdens ons « jaar van beraad », of ( *od ons herwaarts zou roepen, al of niet.

Hoe verzelde zij mij zoo trouw en zoo troostrijk, en moedig stapte ze met mij die trapjes af, die schuur in. Ik vreesde een oogenblik, dat zij er voor terug zou deinzen, wat zij, alles overziende, mij raden zou te doen. Maar neen, ik ken haar advies : " man, in Brussel ligt ons werk ! » Vaarwel, oud Bethel! — gij lage schuur, gij ruwe banken, niet veel meer dan opgespijkerde planken... gij kille kleibodem, misschien nog wel een oude dorschvloer... gij half verteerde, roestige potkachel, gij tochtige ramen, gij lage dwarsbalken, gij klamme atmosfeer... ondanks dat alles waart gij ons allen, die u zijn binnengetreden, o zoo lief!

Ook op mijne vrouw en mij zeiven liet het een indruk achter, dien men met niets ter wereld kan vergelijken.

Het goddelijke wordt het beste in het onaanzienlijke verwezenlijkt, 't Mag oud en bouwvallig geweest zijn in dat oude-Bethel, het evangelie klonk er des te nieuwer, dan 't mij ooit had toegeschenen....

't Mag er schunnig hebben uitgezien,... des te schitterender kwam de rijkdom uit der onuitsprekelijke gave Gods

Daar moge iets ongenietelijks zijn geweest in dat vervallen boeltje, iets dat 'n mensch op zijn leden kon vallen, zoodat hij vragen moest: " hebben wij nu niets beters voor onzen God? zullen wij in elpenbeenen huizen wonen,