is toegevoegd aan uw favorieten.

Schetsen uit het leven in het kinderhuis te Alkmaar in Suriname

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

Sumeran, 't ongelukkige kind, en zijn wreede vader.

In 'tjaar 1918 was er op een Plantage aan de Commewijne een zeer arme vrouw, die drie kinderen had, 4, 2'/e, en 1 jaar oud. Haar man had haar sedert lang verlaten en niemand wist, waar hij was. Er werd verteld, dat hij in een ander deel van het land gestorven was. De vrouw was zóó zwak, dat zij niet meer dan de helft voor haar karig onderhoud kon verdienen, zoodat, als de kinderen een stuk brood kregen om hun ergsten honger te stillen er voor haar niets overbleef. Zij zag er meer dood dan levend uit. Haar oudste zoon leed daarbij nog aan een chronische ingewandsziekte. Dikwijls had ik al met de arme vrouw gesproken, en haar aangeraden, haar kinderen bij ons te brengen, omdat dit toch voor haar en hen de eenige redding was. Zij sprak echter altijd over medicijnmaken en allerlei andere dingen, die zij van van ons booze menschen gehoord had. Liever wilden ze te zamen sterven dan in onze drankjes te verdwijnen.

Eindelijk was de nood zoo hoog gestegen, dat er inderdaad voor hen niets anders overbleef dan te sterven of haar kinderen af te geven.

Op zekeren dag kwam zij dan ook met Sumeran, (zij kon er maar één tegelijk brengen) en zette het kind op een bank onder het huis.

Dringend vroeg zij ons 't kind dadelijk wat te eten te geven, daar het in drie dagen niets gehad had. Vreeselijk zag 't arme kereltje er uit, zooals het daar zat. Eerlijk gezegd, het kon niet zitten, maar hing over de bank. Zijn oogen geleken matglazen vensters in twee diepe holen. De kleur van zijn gezicht kon men door het vele vuil niet onderscheiden. Zoo vuil was hij, dat zelfs de inlandsche helpers weigerden hem aan te raken. Wij moesten alles zelf doen. Eerst gaven we aan moeder en zoon wat te eten, en daarna begon de reiniging. Intusschen kwam de dokter, die hem onderzocht en ons vertelde, dat hij levensgevaarlijk zwak was, en