is toegevoegd aan uw favorieten.

Openhartige antwoorden en onopgesmukte waarheden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der grooten in de wereld der wetenschap heeft het ootmoedig beleden: het einde van alle wijsbegeerte is, dat wij gelooven moeten.

Bovendien: het christelijk geloof, dat wij aanprijzen, is een weten.

„Ik gelooj niet alleen — zoo zegt de groote natuurphilosoof van zooeven, ik geloof niet alleen, dat het gebed mij troost en vrede brengt en ook verhooring, wanneer het met Gods liefde overeenstemt, ik weet het, even zeker en uit kracht van ervaring, als dat brood mij voedt en water mijnen dorst lescht. Ik geloof niet alleen, dat de ongeloovige, ook in zijn rijkdom en zijn genot ongelukkig en vredeloos is, ik kan het aan hem sien, ik kan het aan hem hooren ! Niet tevergeefs hebben wij de bekentenis van Rothschild, van den armen, ongelukkigen tweehonderdvoudigen millionair Van der Bilt, en meer dergelijken gelezen. Evenmin behoef ik te gelooven, dat de zonde 's menschen verderf is, dat hoogmoed vöor den val komt, dat onrechtvaardig verkregen goed niet gedijt, dat haat en nijd de gezondheid benadeelen, dat liefde en welwillendheid haar bevorderen, dat aan Gods zegen alles gelegen is, — kortom, dat heel de Bijbelsche wereldverordening waar is.

Dat zijn historische feiten, die volgens even eeuwige wetten Gods, als die van het licht en van de warmte plaats hebben. Geloof, liefde en hoop zijn evengoed aanwijsbare krachten, als aantrekkingskracht of electriciteit, en hebben even goed hunne wetten en hunne werkingen. Zou een niets iets uitwerken? Dat, zooals zelfs door een Schopenhauer wordt erkend, „de groote schuld der wereld de oorzaak van de groote smart der wereld" is; dat de mensch eerst vrede vindt, wanneer hij vergeving dezer schuld gevonden heeft; dat de bekeering den ouden mensch in een nieuwen herschept, het hart in zijn binnenste verandert, den trotsche deemoedig, den gierigaard milddadig, den dronkaard matig, den dief eerlijk, den leugenaar oprecht maakt; dat alleen het ware Christendom in leven en sterven hem troost en hem de blijdschap der eeuwigheid geeft, — dat is niet maar een geloof, dat is een weten, dat is anthropologische, physiologische en psychologische wetenschap! Ja, dit weten is véél inwendiger en zekerder, dan al het weten der natuur buiten mij, omdat het in mijzèlven plaats heeft; deze feiten van het berouw, van het gebed, van het geloof en zijne werking kan ik ten allen tijde aan en in mij empirisch ondervinden.