is toegevoegd aan uw favorieten.

Openhartige antwoorden en onopgesmukte waarheden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik beschouw deze werkingen niet slechts als schei- en natuurkundige, waarvan ik alleen den buitenkant vermag waar te nemen, maar ik ben zélf hier het atoom en de kracht, het lijdende en het werkende; kortom ik beleef ze en doorleef ze; zoodat ik dadruit de waarheid van den Bijbel en van de Christelijke wereldbeschouwing met nog zékerder logica afleid, dan de scheikunde, uit de verbindingen der lichamen, haar geloof aan het onzichtbare atoom; en ,,de krachten der toekomende wereld" met méér zekerheid, dan de natuurkunde, uit hare proefnemingen, de overtuiging omtrent onveranderlijke natuurkrachten.

Zullen wij nog over de macht van dit ware weten door het geloof spreken? De geheele wereldgeschiedenis bewijst het. Overal, waar iets groots en verhevens, iets schoons en waars voorkwam, werd het in het geloof aan eenen, zij het ook dikwijls niet beseften God, aan eeuwige en onvoorwaardelijke grondbeginselen van het recht, aan eene vergelding hiernamaals en aan een eeuwig leven volbracht. Dit geloof heeft steden en staten gegrond en hun rechtvaardige wetten gegeven, en evenzoo de kunsten van den vorm, van de kleuren, den toon, het woord, het drama en het epos voortgebracht. Geen enkel meesterstuk, van wélken aard ook, dat, als de platte, hedendaagsche kunst en verlichting, zich slechts op de aarde beweegt! Steeds strekt het zijn wortelen in de onderwereld uit, en verheft het zijne kroon in de bovenwereld.

Over die macht van het christelijk geloof nu, staat iets heerlijks in het elfde hoofdstuk van den Brief aan de Hebreen geschreven. Met recht verwijst hij naar het standvastige lijden en sterven van zoovele martelaars, als naar de overwinning, die de wereld overwonnen heeft. Want, „wat de mensch heeft, dat geeft hij voor zijn leven." Laat u eens goed bij het licht bezien, o verlichte spotter! Stel u eens eerlijk voor, dat over u het vonnis geveld wordt, zooals indertijd over den Camisard Ravanel en menigen anderen : dat gij, gedurende den geheelen nacht, aan de gewone en buitengewone folteringen wordt onderworpen 1 Morgen zouden u dan op het rad de leden worden stukgeslagen, en gij, nog levend, op een gloeienden brandstapel geworpen worden.

Denkt gij, dat gij, evenals die mannen, met een van blijdschap stralend gelaat, het vonnis zoudt kunnen aanhooren, en nog inde vlammen psalmen zingen ? Zoudt gij, in juichende onderwerping aan de natuurkrachten, en uwen god, de eeuwige stof, vroolijk roemend kunnen sterven? Zoo niet,