is toegevoegd aan uw favorieten.

In dras en slijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Santstraat was ton dien tijde laagh moeras.

Bovenstaande woorden vonden wij opgeteekend in een kroniek van de stad Rotterdam uit het jaar 1584. Dus reeds vóór dit jaar was de grond onder de Zandstraat, evenals de geheele bodem waarop de koopstad aan de Maas gebouwd is. moerassig. Voor Rotterdammers is dit. volstrekt geen nieuws en vreemdelingen zal liet al bijzonder weinig interesseeren. Waarom wij er dan melding van maken? Omdat de Zandstraat in den loop der tijden ook in figuurlijken zin een echt moeras, een poel van allerlei onreinheid, een zee van ongerechtigheid geworden is. Een straat, die met hare vele zijstraten, stegen en gangen berucht is geworden, niet alleen in ons vaderland, maar helaas ook verre over zijne grenzen; een straat, waarin zoo menige zeeman zijn anker heeft laten vallen en lichamelijk en zedelijk schipbreuk heeft geleden, na eerst geheel en al uitgeschud te zijn door de vele roovers, die op den dag, maar vooral des avonds en des nachts in deze buurt rondzwerven, als een tijger die op zijn prooi loert. Men kan ze vooral des avonds zien staan op het kruispunt van St. Laurensstraat, Roodezand en Korte Hoogstraat. Er is maar heel weinig gelaatskennis toe noodig, om al dadelijk tot de ontdekking te komen, dat deze „hyena's van de Zandstraat, ' meestal opgeschoten jongens, weinig goeds in den zin voeren. Ook van hen kan gezegd worden, dat „hun keel een geopend graf" is en dat „hun voeten snel zijn om bloed te vergieten." Hun prooi, veelal een argloozen zeeman, hebben zij al heel spoedig uitgekozen; ruzie met hem maken en vechten, waarbij gewoonlijk het mes voor den dag komt, is het werk van een oogenblik. De annalen van de politie-bureaux in den omtrek en van het Stedelijk Ziekenhuis zouden er van kunnen gewagen, hoevele bezoekers van de Zandstraat daar verbonden of aan ernstige verwondingen overleden zijn.

Behoeven wij te zeggen, waaraan de Zandstraat haar beruchtheid heeft te danken? Ieder weet, dat het de talrijke bordeelen, tingeltangs en kroegen zijn, welke men hier vindt, die de Zandstraat gemaakt hebben tot wat zij is. Een wandeling reeds bij dag door dit echte wespennest, vestigt de overtuiging dat men zich hier op gevaarlijk, zeer gevaarlijk terrein bevindt; dat het ook hier geldt: ,,'t Is hier waar niets dan zonde woont," omniet eens te spreken van de vele onoogelijke huizen, nauwe sloppen en gangen, de vieze, vuile straatsteenen, de onwelriekende geuren die u te gemoet komen, de vele onoogelijk gekleede personen, welke ge overal ontmoet. Trouwens, tusschen het een en het ander bestaat een nauw en zakelijk verband. Waar de zonde haar hoogtij viert, gaat zooveel schoons en heerlijks verloren, ook en vooral in den mensch, de kroon der schepping Gods, en dan