is toegevoegd aan uw favorieten.

In dras en slijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen viel haar hoofd op den schouder van haar buurvrouw en snikkend riep ze uit: ..Moeder, o Moeder!''

Nernen we nu eens een eigenares van een bordeel. „Wel, juffrouw," zeide op zekeren nacht een der zusters, ,,als we ons niet vergissen, dan is u heelemaal niet op uw plaats hier."

Groote verwonderde oogen, die zeiden: „Hoe slaat jelui zoo den spijker op den kop?" Maar de mond een twijfelachtig: „Zoo, nu, 'k weet niet."

„Maar wij weten het dan wel; we zien dat maar al te goed, en als u eerlijk zegt, hoe het in uw hart is, dan geeft u ons gelijk."

„Nu ja, maar wat moet je dan beginnen." En daar kwam het los, het verhaal van haar ongelukkig leven. Neen zeker, ze had het nooit kunnen denken, zoo haar leven te moeten doorbrengen. Maar ....

Ook hier verborgen strijden en lijden.

Gaat met ons die herberg binnen. Schrikt maar niet voor dat akelig geschreeuw, dat ge als zingen moet aanmerken. Wij zien er drie vrouwen, één achter en twee vóór de toonbank. Het kleine kereltje, het zoontje van een dier vrouwen, niet ouder dan zeven jaren, dat nog op is, hoewel de klok reeds eenigen tijd geleden twaalf sloeg, trekt zijn moeder aan den arm en zegt: „Moeder, stil toch, de zusters!" En ze keert zich om; 't is waar, een licht rood kleurt het gelaat, waai in een paar half wezenlooze, dronken oogen u aanstaren, en ze zegt tot een der zusters : „Ja, ik schaam me voor u, juffrouw."

„Waarom ?"

„Wel mensch, 'k weet heel goed, dat ik me niet gedraag zooals het moet. Ik ben diep gezonken in een put van verderf, maar 't grijpt me

+ + miin L-irwl ui' mii rtn mnpt wil7f>n 7.ip ip. dnt. dopt, pen

LUOI1 «(lil, .ICIL UIJJ11 ...J ,

mensch toch zeer."

Op deze wijze zouden we kunnen voortgaan. Het Nachtwerk in de Zandstraat geeft o zoo ontzettend veel te leeren. Wij zagen het hierboven, hoe in menige ziel een zware strijd wordt gestreden. Ook hier geldt het bekende:

Niet op ieders voorhoofd staat Hoe het daar van binnen gaat.

Menigwerf heeft menig hart Midden onder het lachen smart.

Arme zielen! roepen wij uit. Uitgestootenen uit de maatschappij! Moet ge dan in uw zonden, in uw ellende, in uw wroeging omkomen? Ge zijt toch ook een beelddrager Gods! Ook voor u stroomde toch 's Heilands bloed van het hout van vloek en schande. Ook voor u is nog een weg ter ontkoming.

Gode zij dank! Er wordt aan deze vrouwen gedacht, 't Is een kleine kring van broeders en zusters van „Jeruel", die zich hebben opgemaakt om de Blijde Boodschap der Behoudenis in de holen des verderfs te brengen. „Jeruel" is geboren, niet gemaakt; 't is geen nabootsing van ander