is toegevoegd aan uw favorieten.

In dras en slijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achterwand wordt, als in een kerk, geheel beslagen door een hoog pijporgel... . En in 'n hoek naast den ingang zit bovendien nog 'n orkest; 'n geestig klein jodevrouwtje, heel eenvoudig in 'n zwarte gladde japon . . . en 'n blinde pianist.

Vreeselijk zijn sommige ontmoetingen ! Ja, toen ze nog op de Zondagsschool ging was het al te zien — het arme kind. ze was driekwart, zoo niet geheel idioot. En de moeder? Vreeselijk als een moeder een onmensch is, als een moeder den naam van moeder niet waard is. Haar kinderen moesten haar voordeel opbrengen. Haar oudste jongen was misvormd, daar was dus allicht wat aan te verdienen, vooral in den kermistijd, en haar meisjes — nu dat zou van zelf wel gaan. En het ging — het gaat van zelf' en maar al te goed. En daar liep ze — of loopen ? 't Was waggelen — "t was geleid worden. Waarheen? Dat behoeft men niet te vragen, dat was al te duidelijk,

We zullen niet alle tooneelen schetsen, die bij het bezoek in de Zandstraat en zijstraten worden waargenomen. Wij keeien liever terug naar de Vierwindenstraat, naar de samenkomst die daarna wordt gehouden en die meestal viij goed bezocht wordt. Van een ontmoeting op een dier samenkomsten verhaalt een zuster ons het volgende, dat ons weer bij vernieuwing bevestigt in onze overtuiging, dat het niet waar is, dat prostitutie en armoede in nauw verband tot elkander staan.

„We wilden, na onzen omgang — aldus verhaalt de zuster — de zaal binnengaan, en daar stond aan de deur reeds een vrouw te wachten, wier houding en gebaren de vrouw uit de groote wereld deden kennen, Met een defiigep groet vertelde zij door een der zusters voor dezen avond te zijn uitgenoodigd. En nauwelijks binnen gekomen begon zij haar levensgeschiedenis te vertellen: ze had een goede opvoeding genoten. In een onzer groote steden was haar vader directeur eener gasfabriek geweest, en zij had onderricht ontvangen in een der beste scholen. Haar moeder was vroeg gestorven, en, zeide ze, terwijl tranen haar het spreken bijna beletten: ,,Een kind zonder moedei' is al half verloren." En ging ze voort: ,,toen heb ik een dwaas huwelijk gedaan, ik zag dat toen niet in, nu zooveel te beter. En toen — toen was het voor goed uit met het weinigje geluk, dat ik in mijn leven gekend heb. Ik zocht vergetelheid in den drank. Dat gelukt — voor oogenblikken, maar straks, o, dan is de ellende zooveel te vreeselijker." "

Op zekeren avond was er een meisje in de samenkomst, die het noodig vond zoo nu en dan een spottende opmerking ten beste te geven. Ken enkele blik was wel voldoende haar voor een oogenblik tot stilzwijgen te brengen, maar toch, ze had het nog al druk. Bij het uitgaan sprak een der zusters haar aan.

„Zeg, zoo klonk het, weet ge wel waarom gij zooveel te zeggen hadt van avond, en waarom ge telkens hebt gelachen? Die stem daar van binnen, maakt je het zoo benauwd."

„Hoe weet ge dat?"

„Zeg eens, dat ik ongelijk heb, als ge ten minste kunt.