is toegevoegd aan uw favorieten.

In dras en slijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,Nou, dat zal 'k nog niet zeggen, 'k Weet het beter, daar hebt u gelijk in. Maar waarom zou ik me veranderen."

„Omdat God je zoo liefheeft, en omdat je met zoo'n leven God zoo'n verdriet doet."

„Wat zegt ge daar? God mij liefhebben? Dat is een leugen. Niemand heeft mij lief, niemand geeft om mij: God mij liefhebben?! Dat kan niet."

,,En toch is het waar."

O, konden zij dat maar één oogenblik gelooven, ze zouden gered zijn. Maar nu? Hopeloos, troosteloos gaan ze door het leven, en dat met de heerlijkste hoop, met de grootste troost vlak onder haar bereik. Het is alsof er een drenkeling verongelukt, vlak aan den kant, waarop een kostelijke reddingsboei gereed ligt, maar ongebruikt, omdat niemand hem die toewerpt.

Een dezer samenkomsten was zeer druk bezocht. Daar waren er die lachten om hetgeen ze hoorden, of liever die probeerden te lachen. Gij kent wel het zonnetje, dat water gaat halen? Nu, zoo was die lach. En de tranen bleven bij enkelen niet uit. Niet, dat wij zoo bijster veel aan tranen hechten :

Niet uw tranen, gebeden, bekeering, berouw,

Maar Zijn bloed wrocht verzoening voor u.

Toch zeggen die tranen, dat er iets in haar werkt. Eén vooral snikte het uit, en toen een der zusters haar vroeg of ze dan zoover afgezakt was, snikte zij:

,.0, ja, zoo vreeselijk erg!"

„Leeft je moeder nog?''

„Ja."

„Waar?"

,,In Oud-Beijerland."

„Wil je dat leven van zonden verlaten?"

,,0 ja, want het is zoo vreeselijk."

Doch haar buurmeisje stootte haar aan en trachtte ze tot het „werkelijke" (?) leven terug te brengen; en toen de samenkomst was afgeloopen, ging ook zij.

,,Ga je nu weg?'- werd haar gevraagd.

„Ja," antwoordde ze, met haar schouders eenigszins boos trekkend.

..Waarom doe je dat nu, kom je de volgende week terug?''

En alsof ze spijt had van haar norschheid van zoo even, keerde ze zich om en zeide met viiendelijken stem, en iets trouws in de oogen:

„Ja, terugkomen, dat wel, dat in ieder geval."

Een fabrieksmeisje, heel povertjes in de kleeren, een lief onschuldig bleek kindergezichtje, heeft een glans van extase in haar grijsblauwe oogen; zij vindt het wondermooi en goed wat zij hoorde; 't was haar als een gouden droom; en toen een der zusters haar aanzag, lachte zij al haar dankbaarheid haar toe in het even knippen om een traan. En een afge-