is toegevoegd aan uw favorieten.

Afscheidspreek te Amersfoort op 22 jan. 1911 en intreepreek te Haarlem op 29 jan. 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, hoor toch goed mijn eerzuchtig, ontrouw hart, opdat gij nog in deze heilige ure beter leert de levensles: „Hij moet wassen, maar ik minder worden".

En nu wil ik er op wijzen, dat elke prediker er op uit moet zijn de zielen te leeren van alle menschen af te zien en alles los te laten om persoonlijk met den Heiland te doen te hebben en Hem in de armen te vallen. O, hoor toch goed, mijn zelfzuchtig, wankelend hart, opdat gij nog in deze heilige ure beter leert de levensles: „Hij moet wassen, maar ik minder worden".

Nu wil ik er ten slotte op wijzen, hoe dit woord raakt het allerdiepste en innigste van ons leven en oproept tot zelfverloochening en zelfovergave.

Al het werken en jagen van den evangeliedienaar moet gericht zijn op Christus.

Geen enkele arbeid vraagt zoo weinig naar succes; eischt zoo volkomen het afsterven van het eigen ik als die van den evangeliedienaar. Daarom moet hij minder worden. Selma Lagerlöf vertelt in de legende van de Kaarsvlam van den ruwen zelfzuchtigen Raniero, die alles met voeten trad, zelfs de liefde zijner gade. Van zijn vrouw verlaten gaat hij mede ter kruisvaart naar het heilige land, strijdt daar heldhaftig en is een der eersten, die 't veroverd Jeruzalem binnenstormt Hem wordt vergund bij den plechtigen dankdienst in de' kerk zijn kaars aan te steken aan de kaars van het altaar. Die vlam mag niet uitgaan. Hij wil haar overbrengen naar Florence, om daar in zijn geboorteplaats de kaarsen op het altaar te ontsteken. Welk een tocht — die kaarsvlam te bewaren. Hoeveel moet hij verdragen! Roovers vallen hem aan, doch hij kan zich niet verweren. Zijn vlam zou uitgaan. Spot hoort hij! Men roept hem na: „gek, gek". Hij houdt vol en draagt de vlam in Florence's Kerk! Hij heeft zelfverloochening geleerd.

Zoo draagt de evangeliedienaar ook de heilige vlam van Christus' heerlijkheid door de wereld. Alles, alles moet hij doen en overgeven, opdat die vlam niet uitgaat.

Dat eischt zelfverloochening; overgave aan den Heer. Daarom moet er bij den prediker geloofsleven zijn. Hoe rijker 't innerlijke leven des te warmer de prediking. Ach, alle medebroeders in de bediening weten het wel, dat onze slechtste preeken die zijn, waar ons hart niet