is toegevoegd aan uw favorieten.

Toespraken van H. Dallmeyer en anderen, gehouden op de Conferentie in de Weteringkerk te Amsterdam, 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zei: „Voor zeven achtsten".

Hij was schoenenfabrikant en ik zei: „Als gij uw schoenen voor zeven achtsten-afwerkt, willen de nienschen ze niet hebben. Als gij maar voor zeven achtsten bekeerd zijt, wil God 11 niet hebben." Wilt gij? Is 't uw oprechte wil? Zeg ja.

Jk wil u dan kortelijk den weg wijzen. Gaat ge dien, zoo zijt ge vanavond een gelukkig mensch. God zegt u de waarheied vanavond. Laat 11 de waarheid zeggen. „Gij zijt gevallen".

Een jong- meisje kwam na een samenkomst tot mij en zei: „Gij hebt vanavond alleen voor mij gesproken". Zij had zich de waarheid laten zeggen.

Misschien is hier een gevallen man, zeg dan, gevallen man: „Ik keer weer tot God". Gij hebt toch zooeven ja gezegd. Bekeer u tot God.

Jk was eens op bezoek. Men zei mij: „Dat meisje wil zich niet bekeeren". Ik ging met haar in een spreekkamertje en vroeg: „Zijt gij bekeerd?" Er kwam geen antwoord. Zij liep naar haar kamer, wierp zich op de knieën en zei: „Heer, als ik mij nu moet bekeeren, wil dat mij dan toonen uit Uw woord." En zij sloeg op Hosea 14:2-7 en bekeerde zich. Zij had niets dan haar zonden. Geef gij Hem uw zouden. Uw slechtste zonden.

Gij kunt toch bidden: „Heer, vergeef mijne zonden". De Heer wil, dat we een verlangen naar 't goede zullen krijgen, 't Goede is Jezus Christus. Neem 't aan. En betaal Hem uw dank in de varren uwer lippen. Laat de eerste var uwer lippen zijn de Naam „Jezus". Breng Hem 't lofoffer uwer lippen.

Dan ziet ge niet meer op menschen. Hij maakt geheel van menschen los. Ziet gij niet meer op de menschen?

Waarom is God zoo weinig in onze kerken? De menschen zijn te hoog. Zij „rijden op paarden".

In Oost-Duitschland arbeidde ik. Een meisje bleef ook in de nasamenkomst en toen haar gevraagd werd, wat haar smartte, barstte zij in tranen uiten zei: „Niemand bekommert zich om mij."

Dat was hoogmoed. We moeten komen om te zeggen tot God: „Heer, ik heb niets goeds, alleen slechts".

Tot den arbeid onzer handen zeggen wij niet meer: „Gij zijt onze god". Dan bekommeren wij ons om den wees.

Als de ouders van een pas geboren kindje zijn gestorven, dan is die zuigeling in 't wiegje, aangewezen op de barmhartigheid der menschen.

Wij zijn aangewezen op de barmhartigheid Gods. Er zijn telkens twee lijnen in de Heilige Schrift: wat de menschen doen en wat God doet. Er is altijd een voorwaarde waaraan voldaan moet worden, vóór de belofte in vervulling kan treden.

De Heer zegt: „l.k wil afkomen en genezen".

Een jongeling', wiens lichaam door de zonde zoo aangetast was,