is toegevoegd aan uw favorieten.

Toespraken van H. Dallmeyer en anderen, gehouden op de Conferentie in de Weteringkerk te Amsterdam, 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God moet groot worden voor ons. Dat Hij u geve tot een diepere erkentenis te komen en verlichte oogen uws verstands. Ons onderwerp luidt: des Christens blik. Velen slapen, hebben gesloten oogen, zijn blind. Ze hebben vergeten de reiniging hunner vorige zonden.

„Opdat Hij 11 geve verlichte oogen uws verstands". In den grondtekst staat eigenlijk „uws harten", en Luther vertaalt ook „uws harten".

Er is onderscheidt tussched „verlichte oogen uws verstands' en „verlichte oogen uws harten". Als ik verlichte oogen van mijn verstand heb kan ik goed theologie gaan studeeren. Als ik verlichte oogen mijns harten heb, kan ik Christus goed zien.

Theologie is een zaak van 't hoofd. Men kan een goed theoloog zijn en daarbij een heiden. Godsdienst is een zaak van 't hart. Theologie met godsdienst samen is goed. We mogen niet alles in 't hoofd hebben. Door de verlichte oogen van het hart nemen we in 't hart op, en wat in 't hart komt, gaat over in ons wezen.

De apostel wil dat we een blik slaan in drie richtingen: dat we zien, le de hoop Zijner roeping, 2e den rijkdom der heerlijkheid van Zijne erfenis in de heiligen(den rijkdom van Zijn erfenis), 3e de uitnemende grootheid Zijner kracht, met welke Hij in Christus werkte toen Hij Hem opwekte en in den hemel zette.

O. dat de Heer uwe oogen opene opdat gij moogt zien welke is de hoop Zijner roeping. Die hoop strekt zich uit niet alleen tot deze maar ook tot gene zijde van 't graf. Beschouwen wij haar nu met betrekking tot dit leven. Wij hebben hope in dit leven 't beeld van Jezus Christus te dragen. Gij zijt daartoe geroepen.

„Maar," vraagt ge, „draagt (jij 't beeld van Jezus dan?"... Neen, maar 't moet er toe komen. Dat is Gods doel. Dit is de hope voor dit leven. Indien ge dit met uw verstand aanvat, hebt gij er geen nuttigheid van. Als ge 't met uw hart vastgrijpt, wordt het werkelijkheid in uw persoonlijkheid. „De rijkdom Zijner erfenis". We kunnen al of niet de tegenwoordigheid van Jezus in ons bewustzijn omdragen.

Die rijkdom is zoo groot dat Paulus er van zegt: „Ik leef, doch niet meer ik, Christus leeft in mij!" en verder: „Wij hebben één Vader over ons allen, in ons allen en door ons allen". Dat is de rijkdom. Boven ons: die ons zegent, bewaart, verzorgt, al onze aangelegenheden in Zijne hand heeft. In ons: Ik en de Vader wonen in u. Door ons: Hij werkt door ons. „De God nu des vredes zelf heilige u geheel en al."

Vanmorgen hadden we 't over „den Geest in u". Hij wil door ons werken. Maar God ontmoet zooveel hindernissen in ons. Er zijn kinderen Gods, door wie God niet werken kan. Hun lust tot het voedsel, hun zucht naar zelfbehoud, hun geslachtsdrift zijn voor God beletselen. Iedere drift moet God in bezit hebben.