is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de plaats der aardsche koningrijken heeft ingenomen. Zoo geldt de tegenstand tegen de discipelen in een zeer bijzon, deren zin hunnen Heer. Men verzet zich tegen Zijn en niet tegen hun plan. De gedachte aan een koningrijk deihemelen gevestigd hier op aarde, is niet uit den mensch maar uit God — den Vader en den Zoon. Vader en Zoon rekenen zich toe wat de wereld aan de discipelen doet uit afkeer tegen dit goddelijk plan.

Welk een onuitsprekelijke genade is het dat Jezus Christus van al het lijden om der gerechtigheid wil, zegt: 't Is om Mijnentwil!

Wie kan uitspreken welk een steun en troost dit geeft aan den discipel, naarmate hij verstaat wat zijn Heer uit liefde voor hem heeft geleden.

En wat een eer is het hem, dat Jezus Christus, door 't lijden van den discipel Zijn eigen lijden te noemen, het lijden des discipels maakt tot de voortzetting van Zijn eigen lijden. Hij, het hoofd, gevoelt zich zóó een met elk lid des lichaams, dat Hij al het lijden van dit lichaam om der gerechtigheid wil, Zijn eigen lijden er bij gerekend, als één doorgaand lijden beschouwt, door al den tijd des lijdens. In Zijn eenheid met de leden, buigt Hij zich tot ze neder, en zegt: Al heb Ik een leven van onophoudelijk lijden geleefd in den dienst der gerechtigheid, toch ontbreekt bij Mijn lijden het uwe, om de gerechtigheid op aarde eindelijk te doen zegevieren. Uw lijden maakt met Mijn lijden één geheel uit.

En terwijl de discipel zich ootmoedig er in verblijdt, dat zijn Heer zijn lijden tot heil van anderen gebruikt; zoo mag hij, als Paulus, tot de overige leden des lichaams zeggen: „Ik verblijd mij in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vleesch de overblijfselen van de verdrukking van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de gemeente." (Col. 1: 24).