is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

HET ZOUT DER AARDE.

Matth. 5:13: „Gij zijt het zout der aarde"

Men vindt in de menschheid die nog buiten de gemeenschap met Christus leeft, vele dingen die betrekkelijk goed kunnen geheeten worden, hoewel zij in gevaar zijn door de macht der zonde geheel en al te gronde te gaan. Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis noemt ze resten van Gods beeld in ons.

Zonder iets in hem, dat in betrekkei ij ken zin goed kan geheeten worden, is des menschen redding ondenkbaar. Dan is er in hem geen aanknoopingspunt voor den Heiligen Geest om hem naar Christus te trekken. Dan is hij een duivel geworden.

Gij treft in den nog niet geredden mensch een meer of minder duidelijk besef zijner zondigheid aan. De heidensche offerdienst wortelde in dit besef. De angst bij de gedachte aan den dood is aan dit besef te wijten.

Ten nauwste aan dit besef verbonden, ja ermede één, is des menschen besef van plicht, dat is het besef dat een wet, die hij niet straffeloos mag verbreken, hem verplicht om tegenover God en den naaste het eene te doen en het andere te laten.

Zonder dit plichtbesef zou de mensch nooit hebben gesproken van dingen die hij doen moet, en van de straf der goden, die op de verbreking van zekere plichten volgt. Dit besef gaf geboorte aan de voorstellingen van de wraakgodinnen en de toekomstige straffen, die wij bij de oude heidenen aantreffen.