is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koning en Rechter wordt den vrome later verklaard uit Gods vaderlijk karakter.

Gods vaderliefde wordt allengs voor den vrome de sleutel om alle Gods wegen met hem te verstaan.

God zou voor hem een ander Heer en Koning en Rechter zijn geweest, was Hij niet zijn Vader.

Gods Vadernaam werpt licht op alle Gods daden en werken.

De kennis van God wordt, van 't oogenblik dat de vrome Hem als zijn Vader in de hemelen kent, voor hem de afdoende, de voor altijd bevredigende kennis, 't Is de bloem zijner kennis, 't Is het hoogste dat zij bereiken kan, en waarop zij van den aanvang was aangelegd.

Gelijk God in den allereersten aanvang van het leven der plant of van het dier, de volkomen ontwikkelde plant, en 't volkomen ontwikkelde dier in beginsel, reeds aanwezig ziet; zoo is deze volledige kennis van God, in beginsel reeds aanwezig in den allereersten aanvang van 't geestelijk leven in den vrome.

De kennis van God is één met het leven van den vrome. Wat hij voor zijn God is, hangt af van wat zijn God voor hem is. En gelijk hij eerst aan 't einde van zijn Godskennis, God als Vader kent, zoo kent hij zichzelven eerst dan als kind van God. Het hoogste in den vrome blijft voor hem het langst verborgen.

Eerst als innerlijk leven tot de kroon komt, wordt hem de wortel duidelijk waaruit dit leven is opgewassen.

In de eeuwen, die aan Jezus Christus zijn voorafgegaan kende de vrome zich alleen als knecht en onderdaan van God, en trachtte hij als trouwe knecht en gehoorzame onderdaan te wandelen.

Maar terwijl hij dit deed, was er iets diepers in hem, dan wat het leven van een knecht en onderdaan kenmerkt. Van waar dat verlangen naar een inniger verbintenis met