is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn wezen is voor Hem de spiegel, waarin Hij, mijn beeld ziet; en mijn wezen is voor mij de spiegel waarin ik Zijn beeld aanschouw.

Omdat Zijn wezen gelijkvormig is aan mijn wezen, daarom is Zijne kennis gelijkvormig aan mijne kennis. Mijn kennis is de weerspiegeling van Gods kennis, daarom omdat mijn wezen, de weerspiegeling is van Gods wezen.

Was mijn kennis niet als Gods kennis, omdat mijn wezen is als Gods wezen: dan was zij geen licht maar duisternis, geen waarheid maar dwaling. In Gods licht zien wij het licht. Ik weet niets, wat Hij niet eerst heeft geweten; en zie niets wat Hij niet eerst heeft gezien.

En was er geen levende gemeenschap tusschen Zijnen en mijnen geest, leerde Hij mij niet de hemelsche dingen verstaan, gelijk een vader op aarde zijn kind de aardsche dingen leert: dan wist ik nooit, wat Hij weet, en zag ik nooit, wat Hij ziet.

Zeg niet dat God niet aan den mensch gelijkvormig is, omdat de mensch zondig is geworden. Ik denk niet aan den mensch zoo als hij geworden is, maar zoo als hij wezen moet. 't Is juist de zonde, die het krachtigste bewijs levert voor de gelijkvormigheid van Gods wezen aan des menschen wezen. Openbaart zich de zonde niet in u, als iets dat in uw wezen niet past en in der eeuwigheid er in niet passen zal, zoo min als het ooit in Gods wezen zal passen? Zoo iets dan is het juist de zonde, die dooide ellende die zij in u baart, luide uitroept: gij behoort niet mij, maar Gode toe; gij zijt niet eenswezens met mij maar met God; gij zijt niet van mijn, maar van Gods geslacht. (Hand. 17 : 28).

's Menschen verbintenis met de zonde, is de verbintenis met zijn vijand en verrader!

Niemand van u zal bezwaar maken tegen de verklaring dat God en mensch — naar beider wezen gedacht — ge-