is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was te doen, dat leerde Hij ook aan Zijne discipelen. Van dat Hij zich de betrekking bewust was geworden, waarin Hij tot God stond, dacht Hij zich God niet anders dan als Zijn Yader. En in 't besef van Zijn eenheid met Zijn discipelen, komt de gedachte bij Hem niet op, dat het Zijn uitsluitelijk voorrecht was God Zijn Vader, en Zich Gods Kind te noemen. Hij zag Zijn discipelen aan als Zijn broeders, aan wie Hij leeren moest, wat Hem innerlijk duidelijk was geworden.

Niets was eenvoudiger, niets natuurlijker voor de discipelen, dan om dit „onze Vader" Jezus na te zeggen. Zijn kinderlijke omgang met God had hun de waarheid van Gods Vaderschap zeer nabij gebracht. Zij hadden gevoeld hoe na God, als Vader, aan Jezus Zijn Zoon was. En dit had, meer dan iets anders, bijgedragen om God ook hun nabij te brengen. Zoodat, toen Jezus hun leerde, wat niemand hun geleerd had, namelijk God als hun Vader toe te spreken, zij het woord vonden, dat klaar en helder uitdrukte, wat zij tot nog toe onbestemd hadden gevoeld.

Had Jezus niet zélf zoo kinderlijk met God verkeerd, dan zou het geen beteekenis en kracht hebben gehad, de discipelen te leeren, God Vader te noemen. Nu, echter, kreeg Gods Vadernaam voor hen van dag tot dag al bestemder beteekenis. Het leven van Jezus Christus als van den Zoon met den Vader, was voor hen de verklaring van de betrekking waarin Hij-zelf tot den Vader stond. Hoe vatbaarder zij werden om Zijn verkeer met God te verstaan, des te duidelijker werd het hun tot wat voorrecht ook zij waren geroepen. Eindelijk verstonden zij dat hun nog iets bijzonders ontbrak, om ten volle het voorrecht te aanvaarden, dat de betrekking tot God als Vader met zich bracht. Voor Hij tot den Vader ging, zeide de Heiland hun, wat het was, dat hun ontbrak, namelijk de doop des

u