is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Israël; en ook het woord van Paulus, dat de geloovigen de wereld en de engelen oordeelen zullen. (Matth. 19:28; 1 Cor. 6:3).

Welk een verruiming van blik sedert zij 'teerst baden: Uw koningrijk kome!

Toen dachten zij aan een Israëlitisch koningrijk op de wijze waarop zij aan een ander aardsch koningrijk dachten. Nu denken zij aan een koningrijk waarin het aardsche door 't hemelsche, het tijdelijke door 't eeuwige is vervangen.

En wie zouden de bevoorrechten zijn door wie God vóór en na de verschijning van Christus, dit koningrijk tot zijn eeuwige gestalte zou voorbereiden? Niet Israël, maar de geloovigen in Jezus Christus uit alle geslachten en talen en natiën.

Niet de Israëlieten, maar de geloovigen in Jezus, die behooren tot de „eerstelingen der schepping" — die zijn Gods uitverkorenen, „een koninklijk geslacht, een heilig volk, een verkregen volk." (Jac. 1 :18; 1 Petr. 2:9).

De hoogste eere is bestemd niet voor hen die door bloedverwantschap met Abraham, maar voor hen die door het geloof met Jezas verbonden zijn.

In Gods koningrijk geldt niets dan de geestelijke betrekking, waarin de mensch, wie hij zij, tot Jezus staat.

't Is waar, Jezus Christus wees den titel „zoon van David" niet af; maar Hij zelf noemde zich liever: „Zoon des menschen". Zijne betrekking tot Israël was opgenomen in Zijne betrekking tot de gansche menschheid; De eerste was aan de laatste ondergeschikt. Hij was aller eigendom.

En zoo is het rijk dat de Vader door Hem uit-eindelijk tot stand brengt, het rijk waarin niet de verwachting van één volk boven de overigen wordt vervuld, maar waarin elke onvergankelijke behoefte des menschen wordt bevredigd, wie hij zij.

In de school van Jezus Christus worden Zijne discipelen

16