is toegevoegd aan uw favorieten.

De internationaalrechtelijke betrekkingen tusschen Nederland en Japan (1605-heden)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad voor deze som geïnd was. Allereerst moest worden vastgesteld, hoe zij onder de vier er toe gerechtigde mogendheden moest worden verdeeld. Frankrijk stond eene verdeeling voor naar evenredigheid van de verschillende strijdkrachten *), besloten werd evenwel „to mark the high estimate placed „upon the united action of all the powers then represented „in Japan"2) door het bedrag in vier gelijke deelen te verdeelen 3), „nadat vooraf aan Nederland, Frankrijk en de „Vereenigde Staten ieder 70.000 dollar zouden zijn uitgekeerd voor de afzonderlijke aanspraken welke deze landen „konden doen gelden" 4). Dit laatste slaat, voor zoover Nederland betreft, blijkbaar op de schade, aan de „Medusa" bij het forceeren van de engte van Shimonoseki op 11 Juli 1863 toegebracht. Het aandeel van Nederland bedroeg derhalve i van (3.000.000 — 210.000) + 70.000 dollar = $ 767.500.

Nog in 1865 werd „de eerste termijn dezer schadeloosstelling (%, v. K.) betaald aan de Oriental en de Chartered „Mercantile Bank op quitantie van de vertegenwoordigers „in Japan van Nederland, Engeland, Frankrijk en de Verlenigde Staten van Noord-Amerika" 5). Daarna betaalde Japan nog twee termijnen, waarmee de helft was gekweten, zoodat op onze middelenwet voor 1867 een bedrag kon voorkomen van ƒ 1.000.875,— 6), zijnde „het aandeel van „Nederland in de eerste helft der, ten jare 1864, van het „Gouvernement van Japan bedongen schadevergoeding". Het bedrag van $ 70.000 als vergoeding voor onze bijzondere aanspraken was daarbij inbegrepen. De betaling der tweede helft ging evenwel minder vlot. Voortdurend drong Japan op

1) Handelingen Tweede Kamer 1868—'69 bijl. 606.

2) Moore's International Law Digest § 849.

3) Zie J. Dautremer, Chez nos alliés japonais, Paris 1918 blz. 169

4) Handelingen Tweede Kamer 1866—'67 blz. 75.

5) Memorie van antwoord op het voorloopig verslag der Eerste Kamer over de begrooting van buitenlandsche zaken voor 1866.

6) Art. 1 n°. 15.

14