is toegevoegd aan uw favorieten.

De internationaalrechtelijke betrekkingen tusschen Nederland en Japan (1605-heden)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door dezelve met zegels, sloten of andere middelen van vastmaking te voorzien, en indien iemand, zonder behoorlij k verlof, eenigen aldus verzekerden toegang mogt openen, of eenig zegel, slot of ander middel van vastmaking, waarmede dezelve door de Japansche tolbeambten voorzien is, mogt breken of wegnemen, zoo zal elk aldus overtredend persoon eene boete van honderd drie en vijftig gulden voor iedere overtreding betalen.

Goederen, die gelost zullen worden of beproefd om gelost te worden uit een schip, zonder dat daarvan de behoorlijke aangifte bij het Japansche tolkantoor is gedaan, als bij deze hieronder bepaald, zullen onderhevig zijn aan vatting en verbeurdverklaring.

Pakken goederen, opgemaakt met het oogmerk om de staatsinkomsten van Japan te benadeelen, door daarin artikelen van waarde, die niet in de facturen zijn opgegeven, te verbergen, zullen verbeurd verklaard zijn.

Nederlandsche schepen, die goederen zullen ^mokkelen of beproeven te smokkelen in eenige der niet geopende havens van Japan, alle zoodanige goederen zullen aan de Japansche regering verbeurd verklaard zijn, en het schip zal eene boete van twee duizend vijf honderd vijftig gulden betalen voor iedere overtreding.

Herstelling benoodigde schepen mogen tot dat einde hunne lading landen zonder regten te betalen. Alle aldus gelande goederen zullen onder de bewaring der Japansche overheden blijven en alle billijke kosten voor pakhuizen, arbeid en opzigt zullen daarvoor worden betaald, maar indien eenig gedeelte van zulke lading verkocht wordt, zullen de bepaalde regten op het zoo verkochte gedeelte worden betaald.

Lading mag zonder regten te betalen naar een ander schip in dezelfde haven worden overgescheept; alle overschepingen zullen onder opzigt van Japansche ambtenaren geschieden, en nadat aan de overheden van het tolkantoor voldoende proef is verstrekt van den zuiveren aard der verrigting, alsmede onder een verlofsbrief, tot dat einde door zoodanige overheden afgegeven.

Daar de invoer van opium verboden is, zal de persoon of personen, die opium smokkelen of beproeven zullen te smokkelen, hij of zij eene boete van acht en dertig gulden vijf en twintig cents betalen voor iedere katti opium, zoo gesmokkeld als beproefd te worden gesmokkeld, en indien meer dan één persoon in de overtreding betrokken is, zullen zij te zamen