is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat in 1854 voor het eerst als afzonderlijk hoofdstuk in het regeeringsreglement voorkwam, getuigde o. a. zijn rede bij de algemeene beraadslagingen over dat hoofdstuk *) van een vaste meening nopens de in Indië op dit stuk te voeren politiek, al ging hij in zijn vrees voor de zending te ver door b.v. met art. 123 regeeringsreglement, hetwelk de toelating van zendelingen aan voorwaarden bindt, blijkens die zelfde beraadslagingen s) bepaald te bedoelen het scheppen van een belemmering, om toch maar de individueele vrijheid van moslims, Hindoes en heidenen te ontzien.

Hing de minister het beginsel aan van strikte onzijdigheid jegens de godsdiensten der bevolking, het kamerlid Blaupot ten Cate maakte zich tot orgaan van de voorstanders van een providentiëele roeping en stelde zich „velen van die Javanen voor, dat bij hen de geestelijke toestand eigenlijk nog niet veel meer is dan een hijgen naar lucht, dan een zielszucht naar boven, dan een zoeken en tasten naar de eeuwige bron der waarheid"5); terwijl Van Nispen van Sevenaer tot deze conclusie kwam: als Nederland voldoet aan zijn providentiëele roeping in Indië, dan wordt Nederland beschermd door de Voorzienigheid, dan vloeien „de baten en voordeelen, die Nederland uit Indië trekt, niet minder, maar eerder milder", terwijl het niet-vervullen van die providentiëele roeping oorzaak zou kunnen zijn, „dat wij zouden verliezen die rijke bezittingen, die te regt genoemd zijn de schoonste parelen der Kroon van Nederland"4). Nochtans is geen wijziging voorgesteld; men vindt het beginsel van strikte eerbiediging van de individueele godsdienstvrijheid, door onze grondwet in art. 167 gehuldigd, voor Nederlandsch-Indië ongerept terug in art. 119 regeeringsreglement. De kleine afwijking der slotwoorden: „algemeene verordeningen op het strafrecht"

Mr. L. W. C. Keuchenius, Handelingen der regering en der Staten-Generaal betreffende het reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indië, 1857, III, blz. 905, vgl. ook II, blz. 310.

2) Keuchenius, Handelingen enz., III, blzz. 907—908,

3) Keuchenius, Handelingen enz , III, blz. 902.

4) Keuchenius, Handelingen enz., III, blzz. 904—905.