is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt, dat ook ligt op het gebied van de overheidsbemoeienis ten opzichte van de gezindten, toch reeds hier te behandelen daar men inderdaad kan volhouden, dat „de viering van kerkelijke of genootschappelijke godsdienstige plechtigheden" met de belijdenis zelve „nauw verband" houdt J). In tegenstelling met de grondwet machtigt het regeeringsreglement de regeering om een „openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen a)" te verbieden, wanneer stoornis van de openbare orde daardoor plaats vindt (art. 120, lid 1); de mogelijkheid tot zulk een verbod immers kent de grondwet niet. Een principieel verschil echter met de bepaling in art. 170, lid 2, der grondwet, die de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen enz. toestaat, behoudens ordemaatregelen, waar zij in 1848 nog wettelijk was toegelaten, is aan te wijzen in het pendant van dit voorschrift voor Indië: art. 120, lid 2, van het regeeringsreglement, dat „het verlof des Bestuurs" vereischt tot de bedoelde openbare godsdienstoefening. Volgens de verklaring der regeering moet „Bestuur" hier in den meest algemeenen zin worden opgevat, zoodat het aan de instructies der ambtenaren werd overgelaten, uit te maken, „of die toestemming kan verleend worden door het ondergeschikt gezag, hetwelk zich op de plaats bevindt, dan wel of een beroep op den gewestelijken gezaghebber en welligt op den Gouverneur-Generaal zal noodig zijn"3). Dit zich vaak wijzigende Bestuur nu is het, dat te beslissen heeft, aldus Borret, „wat in dezen al dan niet geoorloofd zal zijn, welke beslissingen uit den aard der zaak gemakkelijker voor verandering vatbaar zijn dan een meer op duurzaamheid bogende regeling bij de

Zie Mr. Ph. Kleintjes, Het Staatsrecht enz., I, blz. 192.

2) Voor den term „openbare godsdienstoefening" vergelijke men Mr. J. R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, 11 (1843), blz. 215; en Mr. J. T. Buys, De Grondwet, II, blzz. 510 vv. Voor de weerlegging van de bewering (Keuchenius, Handelingen enz., II, blz. 22), als zou art. 120 regeeringsreglement eenvoudig zijn overgenomen uit art. 170 Grondwet, zie Mr. Ph. Kleintjes, Het Staatsrecht enz., I, blzz. 192—194.

3) Keuchenius, Handelingen enz., II, blz. 307.