is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

octrooi van 23 September 1682 1), waarbij Suriname onder directie van de West-Indische Compagnie kwam, werd op de bewindhebbers der Compagnie de taak gelegd om de zaken van den godsdienst te regelen. Werd aan de Israëlieten in Suriname en Cura^ao van den aanvang af vrije uitoefening van godsdienst toegestaan — niet aan Lutherschen en katholieken — en breidde het regeeringsreglement van 1816 (Gouv. Blad 1816, no. 2) dit tot de leden van alle in de kolonie gevestigde godsdienstige gezindheden uit, over individueele vrijheid werd nog niet gerept; zelfs was bij het regeeringsreglement van 1828 (Gouv. Blad 1828, no. 3), onder den gouverneur, het oppertoezicht over de kerkelijke zaken opgedragen aan een Raadcommissaris, die te zorgen had (art. 144) voor uitbreiding van den Christelijken godsdienst, zonder dat iemand echter „in de uitoefening van zijnen door den staat erkenden godsdienst worde gekrenkt of gehinderd . . . Daarentegen zijn art. 141 voor Suriname (Gouv. Blad 1865, no. 12) en art. 162 voor Curagao (Publ. Blad 1865, no. 18) van de tegenwoordige regeeringsreglementen, evenals art. 119 van het regeeringsreglement voor de Oost, bijna woordelijk gelijk aan art. 167 van de grondwet; te recht heeft men daar geen bezwaar gezien in het behoud van den term „strafwet" (in ruimen zin).

In tegenstelling met de Oost, waar, zooals bleek, het ruime beginsel van art. 169 der grondwet ontbreekt, vindt men voor de West dat beginsel even scherp uitgedrukt in art. 144 van het regeeringsreglement voor Suriname en in art. 165 van dat voor Curagao. Discussie is daarover niet gevoerd. Daarentegen is art. 7 van elk dier reglementen geredigeerd in een vorm, die het meer tot art. 9 der grondwet van 1815 doet naderen dan tot art. 6, lid 1, der grondwet van 1848 (art. 5, lid 1, der grondwet van 1887).

Wat betreft de vrijheid van „openbare eeredienst en godsdienst-

') De tekst is o. a. te vinden bij Mr. A. J. van der Houvën van Oordt, Het Regeerings-reglement van Suriname, dissertatie, Utrecht 1895, blzz. 173 vv. Vgl. ook de Encyclopaedie van West-Indië (1914—1917), blz. 278.