is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichte van de pasarcirculaire als zijn meening uitsprak, dat deze circulaire geen ander doel had dan dat, „waar het pasarwezen zich regelde naar de Europeesche tijdrekening, naar de zevendaagsche week, alsdan, waar mogelijk, gebruik moest worden gemaakt van alle omstandigheden, die zich daartoe leenden, om op Zondag geen pasar te houden" 1). Anderen, onder wie b.v. Thomson en Tydeman, bestreden de circulaire hardnekkig2). Tydeman stelde voor het eerst hierbij uitdrukkelijk de vraag aan de orde, of de Zondagscirculaire ook voor inlandsche ambtenaren en voor inlandsche feestelijkheden gold of alleen voor Europeesche ambtenaren en feestelijkheden. Zoo het eerste het geval was, achtte Tydeman de circulaire nog veel bedenkelijker dan zij al was, en hij stelde verderop in zijn rede eenige klemmende vragen ter zake van dit punts). Tegen bescherming van den openbaren eeredienst met verbod van feestelijkheden gedurende kerktijd, verbod van verkooping van panden en het door laten gaan van gouvernementsbedrijven op Zondag, maakte Tydeman geen bezwaar. Wel echter tegen het tweede element, dat z.i., ondanks weerspreking daarvan door den minister, in de circulaire te vinden was, nl. indirecte propaganda door de overheid voor Zondagsheiliging. Immers, door het verbod aan de ambtenaren om deel te nemen aan feestelijkheden op Zondag werden die feesten door de overheid onbetamelijk geacht, gedisqualificeerd. M.a. w. hier grondde zich het overheidsgebod „op geloofsovertuiging, op voorschriften aan geloofsdogma's en aan den Bijbel ontleend" en tegen dat beginsel kwam Tydeman op. Verder was, afgezien van dit beginselbezwaar, de vorm, waarin dit bevel door den Gouverneur-Generaal was gegeven, onjuist; de quaestie had bij ordonnantie geregeld moeten worden. Ook was de uitdrukking „semi-officieel" vaag en rekbaar, en Tydeman gaf eenige voorbeelden van moeilijkheden, die zich gemakkelijk konden voordoen.

1) Handelingen 1910—1911, 2e kamer, blzz. 227—228.

2) Handelingen 1910—1911, 2e kamer blzz. 250, 266.

3) Handelingen 1910 — 1911, 2e kamer blz. 268.