is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. De tekst der heerendienstordonnanties geeft geen vrijstelling voor Christeninlanders op Zon- en feestdagen. Feitelijke vrijstelling op eigen initiatief van het districtshoofd schijnt echter veelvuldig voor te komen *). Waarschijnlijk omdat de normale heerendiensten op Java en Madoera zijn afgeschaft2), vult men de daar geldende ordonnanties niet aan. De invoeging, voorshands, van een artikel la in alle ordonnanties op de persoonlijke diensten der inboorlingen, luidende: „Inlanders, die het Christendom belijden, worden op Zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen voor verplichte diensten niet opgeroepen, dan in geval van volstrekte noodzaak", zooals in 1909 Carpentier Alting c.s. voorstond, laat zich echter nog zeer wel verdedigen s).

3. In Mohammedaansche streken moeten Christeninlanders terechtstaan voor districts- en regentschapsgerechten, waarin de rechter gewoonlijk een Mohammedaan is, of voor landraden, welker leden Mohammedanen zijn. Omgekeerd kan het evenwel ook voorkomen dat, in overwegend Christelijke streken, b.v. in de Minahasa, Mohammedanen terechtstaan voor Christenen.

4. Vóór 1891 (Mackay) was ook bij landraadzaken tegen Christeninlanders een Mohammedaansch godsdienstambtenaar als adviseur aanwezig; daarna alleen bij rechtszaken tegen andere dan Christen-inlanders4). Bij Ind. Stb. 1903, no 410 werd ook het besluit van 1891 ingetrokken; dit bezwaar is dus vervallen. Nu is echter weer het nieuwe bezwaar gerezen, dat

*) Vgl. Dr. J. W. Gunning, De jongste wijziging van het regeeringsreglement voor Nederlandsch-Indië, Onze Eeuw 1907, III, blz. 266; F. Fokkens, Eindresumé van het onderzoek naar de verplichte diensten der inlandsche bevolking op Java en Madoera, 1903, gedurig.

2) Ind. Stbb. 1914, nos. 101 en 316; 1915, no. 21; en 1916, no. 66.

3) Mr. J. H. Carpentier Alting c.s., Vierentwintig ontwerpen over Indisch recht, 1909, blz. 33.

4) Vgl. de artt. 82 en 131 van het reglement op de regterlijke organisatie (Ind. Stb. 1847, no. 23) en art. 263 van het inlandsch reglement (Ind. Stb. 1848, no. 16); vgl. voorts het koloniaal verslag 1904, blz. 153.