is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men gaat ongetwijfeld te ver, door te spreken van „een kryptogaam neutralitas, die het hier reeds nooit verder dan tot een ijl en spichtig sprietje bracht, en in Oostersch klimaat eenvoudig wegzweert in haar schimmel" *); bij een dergelijke geringschattende opvatting van de neutraliteit past inderdaad geen andere politiek dan een kersteningspolitiek, die thans wel ieders afkeuring heeft. Houdt men, anderzijds, de neutraliteit voor een levensbeschouwing, dan is de overheid, als zoodanig, zeker allerminst tot zulk een beschouwingswijze gerechtigd. Wil zij aan haar koloniale taak op het punt van onderwijs aan heidenen beantwoorden, dan zal zij in geen van beide uitersten mogen vervallen, en dus evenmin den groei van het „kryptogaam" als dien van een „splijtzwam der antithese"2) hebben te verwaarloozen; dan zal zij de onzijdigheid op godsdienstig gebied niet als een levens-, doch slechts als een paedagogisch beginsel hebben in acht te nemen.

Dat de neutraliteit dient te worden opgevat louter als een element van opvoedkunde, was, in overeenkomstig verband, o. a. ook de meening van het kamerlid Ketelaar bij gelegenheid van de grondwetsherziening in de 2e kamervergadering van 1 November 1916 s); en geldt deze zienswijze reeds voor ons, hier in Nederland, hoeveel eerder dan nog voor het ontwakende Oosten, waar Nederlands opvoedkundige taak juist de kern vormt, of moet vormen, van zijn gansche politiek 4).

Volgens den heideninlander nu, aldus is de gedachtengang van Gunning, zijn religie en politiek nauw met elkaar verbonden: het neutrale optreden van de regeering (d. w. z. het optreden zonder propagandistische bedoelingen voor een bepaalden godsdienst) grijpt even onvermijdelijk in het religieuse leven van dien inlander in als het optreden van de zending;

») Dr. A. Kuyper, Ons Program, 1879, blz. 972.

2) Tertius in zijn kroniek van 30 Juni 1913, Koloniaal Tijdschrift 1913, II, blz. 868.

3) Handelingen 1916—1917, 2e kamer, blz. 338.

4) Vgl. hierover b.v. de treffende beschouwingen van Dr. c. Snouck Hurgronje, De inlandsche bestuursambtenaren, vooral op Java, Gids 1908, iii, blz. 234; en Van Deventers werk voor Indië, Gids 1915, IV, blz. 433.