is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne geloften gegeven, zoo er aan de moskee een heilig graf annex is. De moskee Loear Batang te Batavia heeft b.v. van deze geschenken een inkomst die ± 1881 gemiddeld op 8 a ƒ9000 's jaars werd geschat;

5°. het armengeld uit de sterfboedels;

6°. de belooningen voor verrichtingen, gebeden enz. bij huwelijks-, besnijdenis-, begrafenis-, en andere plechtigheden;

7°. de belooningen voor huwelijkssluiting en -ontbinding, en verdere bemoeienissen in familie- en erfrechtelijke zaken.

Er zijn plaatsen, waar geen moskeefonds bestaat, doch waar alle inkomsten dadelijk onder het personeel worden verdeeld. Elders beschouwt men het onder 6°. en 7°. genoemde gedeeltelijk als persoonlijke emolumenten voor den betrokken beambte. Uit het medegedeelde blijkt dus, dat de moskeefondsen vaak zeer aanzienlijke sommen konden bedragen. Nu werd bij missive van den gouvernementssecretaris van 4 Augustus 1893, no. 1962, aan de hoofden van gewestelijk bestuur op Java en Madoera, met uitzondering van die der Vorstenlanden, bericht, dat het den Gouverneur-Generaal was gebleken,

„dat omtrent den aard en de bestemming der voor de Mohammedaansch-inlandsche bevolking voor godsdienstige of liefdadige doeleinden, hetzij vrijwillig, hetzij min of meer gedwongen afzonderlijke gelden of goederen, bij de Europeesche bestuursambtenaren vaak minder juiste voorstellingen bestaan en dat dientengevolge eenerzijds soms maatregelen genomen worden, welke in strijd zijn met het karakter der aldus opgebrachte gelden en goederen, terwijl van den anderen kant veelal onvoldoende toezicht wordt uitgeoefend op het bedrag der heffingen, waaraan de geestelijkheid de Mohammedaansche bevolking onderwerpt, en op de verdeeling van en het beheer over de langs dezen weg verkregen inkomsten" *).

De Gouverneur-Generaal hield er zich van overtuigd, zoo vervolgde de circulaire, dat de bescherming van regeeringswege van de voor godsdienstige doeleinden bestemde gelden nergens beschouwd zou worden als een inmenging in godsdienstzaken. Als maatregelen met het oog hierop werden

]) Adatrechtbundel VII, blzz. 302 w.