is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o. a. aanbevolen: 1°. groote zorgvuldigheid bij de benoeming van pengoeloes, waarbij vereeniging van de functies van pengoeloe masdjid en pengoeloe landrad (zie boven blz. 98) en hoogere bezoldiging speciaal de aandacht verdienden; 2 . scherp toezicht op de administratie der moskeekassen b.v. door viseering van de boeken en door persoonlijk onderzoek bij de betalers en ontvangers '). Reeds veel vroeger was het denkbeeld geopperd, om de ruime betalingen, welke als belooningen voor huwelijkssluiting, ontbinding, enz. door de Mohammedaansche godsdienstambtenaren werden gevorderd, van bestuurswege aan een tarief te onderwerpen. Dit denkbeeld werd destijds door de regeering „niet raadzaam" geacht (bijblad 2795, van 1874).

Een circulaire van 3 Augustus 1901, no. 249, stelde een deel van het velerlei soort van misbruik, waaraan de in die moskeekassen gestorte gelden blootstonden, voor rekening van het Europeesch bestuur,

„dat in overleg met den regent dikwerf zeer belangrijke uitgaven voor publieke doeleinden, waarvoor de begrooting geen geld beschikbaar stelde, uit de moskeekassen bestreed. Bij vele Europeesche ambtenaren gelden die kassen inderdaad als welkome helpers in allen nood, en het zou moeilijk zijn een soort van uitgaven te noemen, die men niet soms geschikt geoordeeld heeft om daaruit te worden bestreden: straatverlichting, verbetering aan wegen, bruggen en waterleidingen, tribunes, vlaggen en andere versieringen voor feestelijkheden, zieken- en leprozenhuizen, pasarloodsen, wachthuisjes, pasanggrahans en nog vele andere nuttige zaken komen voor op de rekeningen van die kassen, om welke te vullen men óf den huwelijksbeambten een deel ontneemt van hetgeen hun toekomt, öf de bevolking laat zuchten onder den druk van te zware heffingen, die dan, naar men zegt, toch weer te haren bate besteed worden" 3).

Om aan deze misstanden een einde te doen maken scherpte de circulaire den hoofden van gewestelijk bestuur nog eens in, de aandacht te vestigen op wat zij met gelukkige termen noemt: „het bewaren van het evenwicht tusschen de inkomsten

') Vgl. A. H. van Ophuysen, De huwelijksordonnantie enz., blz. 72—73. 2) Adatrechtbundel VII, blz. 309.