is toegevoegd aan uw favorieten.

Honderd brieven aan de redactie van het Bataviaasch Handelsblad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ie Brief. — Opheffer is etisch.

6 maart 1911.

Of ik ook van de Ethische Richting ben ? Nou, en öf. Welk fatsoenlijk mensch is dat nu niet! Al zou 't alleen wezen om niet onder de achterlijken en de egoïsten gerekend te worden. Ook ik heb op mijn tijd vreeselijk medelijden met den Javaan, onzen brrruinen brrroeder (men 'n rollende r; dat klinkt stichtelijker).

Ik kwam eens, jaren geleden, bij een ouden regent. Leuk, mager snuit. Hij zat aan een reusachtig bureau ministre. Aan de wanden van zijn kantoor hingen schuine, sierlijke banderollen met opschriften: „beschaving", „menschenmin", „vooruitgang", „burgerdeugd". Het spreekt van zelf, dat een man, die dagelijks zulke woorden voor oogen had, ook een heel groote gouden ster op z'n borst droeg.

De logica hiervan ontgaat u natuurlijk niet, want al zult ge als courantier, om abonnés te krijgen, op de regeering moeten schelden, één ding zult ge toch moeten toegeven: Zij beloont de deugd!

Als die regent nu nog geleefd had, zou in zijn kantoor zeker een alziend oog gehangen hebben, merk „tjap mata" met het onderschrift: „God ziet U of „Hier vloekt men niet". Ik ben vergeten of de oude heer vloekte; ik herinner me wel, dat hij Fransch sprak. Hij vroeg me, of ik bleef eten: a la guerre comme a la guerre. Ik werd werkelijk geïmponeerd door die beschaving. Ik herinner me, dat ik, nog onder den indruk, in mijn dagboek eens ging uitpakken, maar m'n resident was een nuchter mensch en hij schreef bij de fraaiste tiraden: „Ik zeg met juffrouw Laps: waar haalt de jongen het vandaan!"