is toegevoegd aan uw favorieten.

Honderd brieven aan de redactie van het Bataviaasch Handelsblad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat wordt dan niet terug verlangd naar de geruischlooze, zachte oppassing, het eindelooze geduld van de eertijds zoo weinig geapprecieerde bruintjes.

De blanke zuster wordt na lange training heel goed als pleegzuster; de bruine heeft geen training, geen opleiding; d i e moet van zélf maar geen domme dingen doen.

Ik heb altijd schik in die bende kleuters voor de erfingangen, en in die groepjes jongens met hun zweepen en grasmessen, die het vee bewaken. Als de kinderen wat loopen kunnen, 5 a 6 jaar oud zijn, moeten ze s morgens het veld in met hun logge kameraden. Wanneer zal er een javaansche Mark Twain opstaan, om hun leven en heldendaden te beschrijven? Het zou zoo leuk en interessant zijn. De bengels probeeren van alles. Eerst probeeren ze wat er al niet eetbaar is. Zoo gek kan een beest of vrucht of plant niet zijn, of ze probeeren hem op te eten; eerst rauw; als hij al te bitter is, gepoft. Soms houden ze heele conferenties daarover. De grooteren wijzen met hun meerdere ondervinding den weg. Zoo langzamerhand huist er heel wat ongerechtigheid in die buiken; dat is van buiten af al te zien.

Hun groote kameraden, de logge karbouwen, hebben een teedere aanhankelijkheid voor de ventjes. Wil de kolos niet doen wat hem gelast wordt, dan wordt hij met een vloed van scheldwoorden bewerkt; aan de eerbaarheid van de moeder wordt dan sterke twijfel uitgesproken; maar soms is de schrik of de onrust te groot, en dan wordt het laatste, doch onfeilbare middel toegepast: de kleuter begint vreeselijk te schreien!

De soms door een panische schrik weghollende troep dieren hoort dit nauwelijks, of de heele bende staat stil, wendt de grove koppen om en, deemoedig gebogen, komen ze terug; want alles kan de karbouw verdragen, maar dat zijn kleine botja verdriet heeft, niet. Is zijn kleine oppasser in gevaar, dan verandert de goedige kolos in een held; daar zijn voorbeelden te over van.

Wat heb ik jullie niet dikwijls benijd, kleine bengels! Jaar in, jaar uit vacantie. Die onbezorgde tijd raakt voorbij; Opheffer laat dessa-scholen oprichten; ze rijzen als paddestoelen uit den grond. Eerste klasscholen, tweede idem; ze vermeerderen op onrustbarende wijze, onrustbarend voor jullie onbezorgde jeugd. Maar ze willen wel pienter worden. „En wat vraag jij aan Toean Allah?" vroeg ik in een schooltje. „Ik bid altijd om pienter te worden." Gek, toen Opheffer klein was, vroeg hij altijd, of de school asjeblief mocht afbranden. Ik herinner me niet, ooit gebeden te hebben om knap te worden.

§