is toegevoegd aan uw favorieten.

Honderd brieven aan de redactie van het Bataviaasch Handelsblad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij kwam weer binnen, nog mager, maar met een verheerlijkt gezicht. Ik weet zeer, dat, als hij eenmaal het moede hoofd neerlegt, zijn laatste gedachten zullen zijn aan de reuzenfuif, waarover de kotta een maand lang sprak.

De vrouwtjes bekoopen de fuiflustigheid dikwijls met den dood. Ze zijn nog feller op een partij dan de mannen en van alle kanten komen de helpsters opdagen en ze werken, werken, alsof haar ziel en zaligheid er mede gemoeid zijn. En allemaal even bewerkelijke zaken. Gezellig is het; er wordt héél wat afgebabbeld en het gaat alles zoo leuk en goedmoedig toe. Het halve dorp leent zijn bullen en gereedschappen. Om vergissingen te voorkomen, worden alle borden en glazen gemerkt met een lakje aan den achterkant en bij gemis aan een familiewapen wordt de dactyloscopie toegepast en de duimafdruk op het lak aangebracht. De kostbare bullen worden óók geleend, gespen, armbanden, ringen, gouden sieraden, juweelen zelfs. Valt de fuif tegen en worden de kosten niet goedgemaakt door de geschenken, nu, dan gebeurt het wel eens, dat de kostbaarheden achter de schuine deur terechtkomen. Erg kwalijk wordt dat niet genomen, als de bullen maar op tijd weer ingelost worden.

Onze Saminah, het aardige vrouwtje van den koetsier, kwam de vermoeienissen van zijn fuif, die maar 8 dagen duurde en waar maar 80 gasten gekomen waren, niet te boven. Het menschje, tenger, fijn poppetje, was in geen 10 dagen uit de kleeren geweest. Ze was doodelijk vermoeid, kwakkelde nog een paar dagen en stierf

Koetsier zei niet veel, bleef stil, maar zijn oogen hebben nog een doffe, vage uitdrukking. Hij is niet meer de oude, stoeit niet meer met Black, zijn lievelingspaard, dat hem toch nog altijd zoo trouwhartig hinnekend verwelkomt. Ja, Blackie, wat weten wij weinig van hetgeen in die zielen van onze Kromo's omgaat.

Het is niet beleefd om zijn smart te toonen. Aan enkele plotselinge uitbarstingen merkt men soms, hoe hevig de gemoedsbewegingen zijn. Wat moet er in de ziel zijn omgegaan van dat vrouwtje, gehuwd met een opiumschuiver,

dat zoo dol, dol graag naar een feest wilde. Haar man ging en zij? Zij

had geen kleeren om mee te gaan. Met haar daagsche spulletjes te verschijnen, ging óók niet, en terwijl haar man feestvierde, vatte zij haar drie kinderen en sprong in een diepe put. Liever dood dan die vernedering van niet waardig mee te kunnen doen.

3