is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetboek van strafrecht voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

3°. in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

4°. in achttien jaren voor alle misdrijven waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is gesteld.

(2) Ten aanzien van een persoon, die vóór het begaan van het feit den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, wordt elke der boven vermelde verjaringstermijnen tot een derde van den daar bepaalden duur ingekort.

Artikel 79.

De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen :

1°. bij valschheid, valsche munt of muntschennis vangt de termijn aan op den dag na dien waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is;

2°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 328, 329, 330 en 333 op den dag na dien der bevrijding, of van den dood van hem tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;

3°. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 556, 557 en 558 op den dag na dien waarop ingevolge de artikelen 17 en 18 van het Reglement op het houden der registers van den burgerlijken stand voor de Europeesche en daarmede gelijkgestelde bevolking in Nederlandscli-Indië de aldaar bedoelde registers waaruit zoodanige overtreding blijkt, ter griffie van den raad van justitie zijn overgebracht.

Artikel 80.

(1) Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad den vervolgde bekend of Item op de bij algemeene verordening daarvoor bepaalde wijze bekend gemaakt zij.

(2) Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.