is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en na bij het werk betrokken autoriteiten, den adviseur voor het havenbeheer, mogen misschien naar de beginselen van streng recht en volgens § 5 art. 23 alinea 3 der, op het werk van toepassing, Algemeene Voorwaarden, niet als bindend voor het Gouvernement beschouwd kunnen worden, naar de eischen van goede trouw zijn zij het zeker, en was dus, naar de meening van onze Commissie, de aannemer ten volle verantwoord den hem verstrekten uitslag der boringen als basis zijner inschrijving te beschouwen.

Het genoemde resultaat van het grondonderzoek, hetwelk tot op eene diepte van bijna 7 M. kon doen rekenen op goed zand van grofkorrelige geaardheid (het laatste door combinatie van het bovengebrachte monster van de oppervlakte met de gelijknamige betiteling tot 5 M. diepte) gaf den aannemer aanleiding bij de alom gunstig bekende werf Conrad te Haarlem een baggerwerktuig te bestellen, dat den naam „GouverneurGeneraal Idenburg" ontving en waarvan de constructie en werkwijze voldoende malen uitvoerig en duidelijk beschreven zijn, zoodanig dat van eene volledige uiteenzetting in dit rapport kan worden afgezien.

Aangeteekend zij echter dat het werktuig, hetwelk door onze Commissie in elk opzicht als een voortreffelijk geslaagd werkstuk wordt beschouwd, al of niet, met behulp van een cutter, grond kan zuigen en lossen in de beun met ongeveer 800 Ms. inhoud en dat tegelijkertijd naast de G. G. Idenburg liggende onderlossers of bakken mede met specie gevuld kunnen worden.

Deze hopper-cutter-zuiger, met eene capaciteit in normaal grof zand van circa 800 M3. per uur, verscheen gereed voor het bedrijf einde 1912 op de reede van Makasser, en werd te werk gesteld aan het baggeren van de geul voor de zandaanplemping onder de toekomstige kade voor zeeschepen. Zonder groote storingen werd dit gedeelte van het werk voltooid, al werden moeilijkheden ondervonden door het aanwezig zijn van koraal en steen, welke niet op de grondboringen, op de besteksteekeningen weergegeven, vermeld waren.

De slappe geaardheid van den zeebodem was oorzaak dat de geul veel breeder gebaggerd moest worden dan het ontwerp-profiel aangaf, terwijl niet overal de voorgeschreven diepte bereikt kon worden in verband met den steenachtigen ondergrond.

Na, het gereedkomen van deze geul vertrok einde Februari 1913 de G. G Idenburg naar de Noordelijke Goamonding om op de vroeger aangewezen plaats voor den mond het zand voor de vulling en aanplemping te halen.

Toen bleek onmiddellijk dat het daar aanwezige materiaal, in plaats van uit grof zand te bestaan, gevormd werd door fijn zand met slib vermengd en niet practisch te verwerken door den daarvoor beschikbaren zuiger. Het fijne zand en het slib toch kwamen in de beun van de G. G. Idenburg niet tot rust en spoelden met het water mede over boord. De beun vulde zich niet of pas na vele uren met een veel te fijne zandmassa, in het kort, overtuigend bleek dat öf een ander werktuig moest worden aangeschaft, öf een andere vindplaats van het zand moest worden gezocht. Het ligt voor de hand, dat dit laatste geschiedde in overleg met de directie van het werk.

Ter oriënteering en ter vermijding van uitvoerige uiteenzettingen kan verwezen worden naar de kaart als bijlage II overgelegd, die voor zich zelf sprekend is ten opzichte van de verschillende ligplaatsen der G. G. Idenburg bij het zoeken naar het zand op de aan de weekrapporten ontleende tijdstippen. Hierbij zij nog opgemerkt, dat de aan den aannemer behoorende zandzuiger Makassar, die reeds in December 1912 op de Goaplaat vruchteloos naar goed zand gezocht had, bij dezen opsporingsarbeid mede behulpzaam was en dat ook later zoowel ten zuiden van de Goamonding als ten noorden van Makasser naar bruikbaar zand werd gezocht.

Een enkele maal werden kleine hoeveelheden geschikt materiaal gevonden en naar de geul gebracht, maar van te geringe beteekenis, om niet volkomen het besluit van den aannemer, op aanraden van de Directie genomen, te wettigen, om behalve proef baggeringen ook tot boringen in de Goamonding over te gaan. Van Maart tot Juni 1913 werd hieraan gearbeid. Op een enkele plaats werd goed zand gevonden, doch slechts over kleine uitgestrektheid, zoodat in Augustus 1913 de Directie besloot eveneens zelve boringen te verrichten en te trachten voldoende hoeveelheden goed zand te vinden.

Limiddels had de aannemer 23 Juli 1913 een claim ingediend betreffende de schade door hem ondervonden wegens het ontbreken van het bruikbare zand op de plaats der officieele aanwijzing.