is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reikend tot 6 M. diepte onder Semarangsch Havenpeil dus 3 M. onder den voet van den kademuur.

Hoewel de oorspronkelijke aanneemsom hierbij vrijwel onveranderd bleef, blijkt uit het bovenstaande duidelijk van welk een ingrijpenden aard de tot stand gekomen wijziging was, en het zal dus ook geen verwondering baren dat de aanneemster in den geregelden voortgang van haar oorspronkelijken opzet voor het werk zeer gestoord werd.

In November 1910 toch waren de proeven op den bodem aangevangen; en openbaarde zich spoedig de dringende eisch van eene verandering in het redelijkerwijze technisch niet wel uitvoerbare werk, eene verandering dus, die niet ten genoege van de aanneemster geschiedde, zooals dit later door den dienst der Burgerlijke Openbare Werken is voorgesteld; maar waarmede beide partijen in het belang van het werk gebaat werden.

De baggerwerken in de voorhaven konden geregeld doorgaan; doch de excavator, die de bouwput voor de kademuren in den droge zou tot stand brengen, werd een overbodig werktuig. Wel leende de dienst der Burgerlijke Openbare Werken later de aanneemster op coulante wijze klein materieèl om ter plaatse van de toekomstige caissonskademuren in den natte te baggeren, maar daar de juiste diepte der grondverbetering niet vaststond kon hier niet zoo krachtig en afdoende doorgearbeid worden,als anders mogelijk ware geweest.

Van af 1 December 1910 tot begin September 1911 heeft de aanneemster slechts met halve kracht (terwijl hare uitgaven ongeveer normaal bleven) kunnen voortwerken.

Het had naar de meening onzer Commissie een goed recht der aanneemster geweest om voor het aangaan van de nieuwe bestekswijziging van het Gouvernement eene schadeloosstelling voor dezen tegenvaller te eischen en ook enkele andere eenheidsprijzen van de Directie overgenomen en welke haar inmiddels te laag gebleken waren, te herzien. •

Hiertoe niet overgaande heeft de aanneemster het recht daartoe prijsgegeven.

Onze Commissie heeft ampel overwogen of zij Uwe Excellentie zou kunnen ad= viseeren toch eene vergoeding voor dit door de aanneemster geleden oponthoud te betalen. Wij hebben daarbij ons gedacht in de positie van de aanneemster, met een ten deele begonnen werk, met het vooruitzicht van later loonenden arbeid, en onder den indruk van de macht van eene Directie, welker hoogste vertegenwoordiger sterke antipathie toonde in zake de uitvoering van groote werken door aannemers.

Bovendien drukte de aanneemster de vrees dat als zij niet bewilligde in de bestekswijziging zonder feitelijke schadeloosstelling, dat dan van haar zou worden gevorderd, het werk op de oude, vrijwel onmogelijke wijze te moeten maken.

In dit verband is het optreden van de aanneemster, zij het ook weinig zakelijk te verklaren.

Toch meent onze Commissie ten slotte, hoe sympathiek het haar zou wezen, indien tot schadeloosstelling over dat tijdvak van negen maanden ter grootte van f 135 000 zou kunnen worden besloten, dat van af haar standpunt geen advies in deze richting mag luiden.

8. Grondverzet. Eenzelfde houding moet onze Commissie aannemen tegenover de vraag van de aanneemster, thans in haar claim, om een hoogeren eenheidsprijs voor het baggerwerk; niet omdat de prijs van f 0,62 die verzocht wordt ons te hoog voorkomt, maar omdat de aanneemster bij de bestekswijziging dien te lagen prijs van f 0,30 per MA opnieuw had geaccepteerd. Het is duidelijk dat waar oorspronkelijk op hoeveelheden was aangenomen, onze Commissie wel adviseert het meerdere grondverzet, maar tegen f 0,30 per M8. berekend, te vergoeden.

Onze Commissie kon bovendien te minder tot tegemoetkoming aan de claim op dit punt besluiten, omdat de aanneemster geacht mag worden op het gebied van baggeren in overzeesche landen groote ervaring te bezitten en dus uit haar praktijk moest weten, dat het haar door de Directie der Burgerlijke Openbare Werken genoemde cijfer van f 0.30 per M8., in dit geval op onvolledige gegevens berustte.

De aanneemster stelde aanvankelijk zelve f 0,60 voor baggerwerk en f 0,80 voor ontgraving per M8. Het is bijna even onbegrijpelijk, dat de aanneemster zich heeft laten bewegen tot meer dan de helft in haar vraag terug te gaan, als het onverklaar-