is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit was geheel onnoodig, dank zij de zeer betrouwbare inlichtingen van plaatselijke Directies en direct belanghebbenden.

Te Makasser werden, zooals Uwe Excellentie uit ons desbetreffend rapport bekend is, de aanvragen tot tijd en wijle dat nadere behandeling zou volgen opgelegd, te Soerabaja stond de klacht der Droogdok-Maatschappij niet alleen, kregen we persoonlijk inzage van het officieele register der aanvragen, welke het jarenlange uitstel aantoonde.

In ons advies omtrent de Droogdok-Maatschappij Soerabaja, heeft onze Commissie een en ander uitvoerig beschreven en aangetoond hoe ondanks den aandrang van requestrante en van het Departement van Koloniën, op het Bureau der B. O. W. te Weltevreden de afdoening tot op heden op laakbare wijze werd opgehouden.

Voor Tandjong-Priok hadden wij de klacht van de Nederlandsch-Indische SteenkolenMaatschappij in ons bezit; en toonden leden der Commissie van Bijstand voor die haven op 9 April 191-*- dus enkele dagen na onze aankomst hier te lande, ons een lijst aanvangende April 1912 van de voorstellen dier Commisie, welke tot dusverre onafgedaan waren gebleven, terwijl ten overvloede, de tijdelijke Directeur der haven van Tandjong-Priok ons op 9 Juni 1914 nog bevestigde dat op de ontwerpbesluiten der Haven-Commissie nog geen beslissing was gevolgd.

Deze uiteenzetting bewijst de waarde welke toegekend moet worden aan de uitdrukking van den Directeur der B. O. W.

„Het schijnt mij onbegrijpelijk hoe de Commissie zoo maar, zonder eenig ernstig onderzoek zulke frappante onjuistheden kan neerschrijven als de bewering dat voorstellen betreffende de organisatie van het havenbeheer soms meer dan 2 jaar onafgedaan bij dit Departement zouden blijven liggen".

Onze Commissie wordt persoonlijk niet gedeerd door deze aantijging.

Bovendien is de kwestie van het havenbeheer ook nog behandeld in ons, aan Uwe Excellentie reeds toegezonden, algemeen rapport.

8. Slotopmerking. Onze Commissie herhaalt, hetgeen zij Uwe Excellentie in den aanvang van dezen brief mocht mededeelen, dat de nota van den Directeur der B. O. W. gedateerd 10 Juli 1914 N°. 13932 H.W. geen invloed heeft op de conclusies vervat in ons schrijven met bijlagen van 11 Juni 1914 en voegt daaraan toe dat al moge de Directeur der B. O. W. volgens zijne beweringen meermalen tegenover de Hollandsche aannemers tegemoetkomend zijn opgetreden, onze Commissie daarvan in het algemeen bitter weinig heeft bespeurd, in hoofdzaak het tegendeel heeft geconstateerd en dit weerspiegeld ziet in het feit, dat in tegenstelling met de verschillende voorstellen van plaatselijke Directies, de Directeur der B. O. W. in alles beweert gelijk te hebben en geen enkele der vele claims, ook niet gedeeltelijk, vooi inwilliging vatbaar acht.

Be Commissie benoemd bij beschikking van Zijne Excellentie den Minister van Koloniën, d.d. 3 Februari 1914.

(w. g.) LAMBRECHTSEN.

(w.g.) VAN ELZELINGEN.

(w. g.) COOL.

Voor eensluidend afschrift: • Be Gouvernements-Secretaris, VAN VALKENBURG.