is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Departement der Burgerlijke Openbare Werken.

Batavia, den 3den Juni 1914.

Ten vervolge van mijn telegram van 26 Mei jl. heb ik de eer, met referte aan de missive van den lsten Gouvernementssecretaris van den 16den dier maand n°. 1245, onder terugaanbieding der bijlagen, daarvan, üwer Excellentie het volgende eerbiedig te berichten.

Zooals uit mijn voormeld telegram reeds js gebleken was het mij niet mogelijk aan de in genoemde missive vervatte opdracht gevolg te geven geheel op de wijze in dat schrijven is aangegeven.

Het advies der Commissie, waarvan-de heer Lambrechtsen van Ritthem als leider optreedt, toch bleek mij bij de bestudeering zoozeer op een geheel onjuiste appreciatie der feiten te berusten en zooveel onjuiste gegevens te bevatten dat zonder eene uitvoerige uiteenzetting een beoordeeling der conclusies van genoemde Commissie onmogelijk zou zijn en partieele adviezen daaromtrent, als in genoemde Regeeringsmissive bedoeld, derhalve niet naar behooren gemotiveerd zouden kunnen worden zonder telkens weer in uitgebreide herhalingen te vervallen.

Ik heb daarom mijne beschouwingen ter zake samengevat in de hierbij gevoegde nota, gedateerd: 30 Mei j.1.

Deze nota is vrij omvangrijk geworden aangezien ik mij uiteraard niet heb kunnen bepalen tot het doen van uitspraken, doch in het bijzonder de feiten en gegevens heb moeten releveeren waarop mijne meening ter zake berust of waarmede de uitspraken van de Commissie in strijd zijn.

Ik heb daarbij in hoofdzaak en voor zoover de geregelde draad der redeneering zulks toeliet, het advies der Commissie op den voet gevolgd, zonder echter telkens weer opnieuw op de onjuistheid van te voren in het licht gestelde door de Commissie bij herhaling te berde gebrachte misvattingen te wijzen.

Misvattingen en onjuistheden die op de beoordeeling der zaak van geen invloed behoeven te zijn heb ik voorts buiten beschouwing gelaten.

Mijn oordeel omtrent de conclusies der Commissie heb ik in het kort samengevat aan het slot van de genoemde nota.

•In aansluiting daarmede moet in de eerste plaats het een en ander worden aangeteekend in verband met de door de Commissie overgelegde globale berekening omtrent het den aannemer verschuldigde bedrag volgens den stand van het werk door de Directie opgenomen op 14 Januari 1914.

De Commissie zelve duidt hare berekening aan als globaal, deze qualiflcatie is eigenlijk nog te zwak en kan veilig luiden: zeer globaal.

Zij brengt namelijk niet in rekening de werkelijk geconstateerde hoeveelheden geleverd werk, doch neemt eenvoudig bij wijze van schatting aan dat van verschillende onderdeden van het werk omstreeks het •/, gedeelte gereed is en bepaalt daarnaar de verschuldigde bedragen.

Bovendien brengt de Commissie de zandaanvulling voor den grooten kaaimuur 2 maal in rekening, n.1. eerst als zandaanvulling en vervolgens nog eens als onderdeel van het werk voor den kaaimuur; want in den eenheidsprijs per str. M. waarnaar

Aan

Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie.