is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met betrekking tot de opmerkingen van de Commissie in het bijzonder omtrent de claims ten aanzien van de haven te Semarang diene verder het volgende.

Na een inleiding waarin de betreffende werken worden omschreven, vermeldt de Commissie met betrekking tot de bestekswijziging dat op 11 September 1911 dienaangaande tot overeenstemming was gekomen doch eerst op 6 Augustus 1912 het betreffende contract is geteekend.

Ten dien aanzien zij in de eerste plaats aangeteekend dat de aannemers zich niet op die omstandigheid beroepen en deze op het geheele verloop der zaak dan ook geenerlei invloed heeft gehad.

De reden waarom het gewijzigde contract veel later is geteekend dan den datum waarop tot overeenstemming was gekomen ligt daarin dat daarvoor behalve de goedkeuring der Regeering, die verleend werd bij het besluit van 19 September 1911 n°. 22, ook de goedkeuring van de in Nederland woonachtige borgen van de maatschap (de Heeren W. M. en A. de Veies te Rossum) vereischt was (verg. de 2de zinsnede van de ministerieele depêche van 12 April 1910 n°. 26/665, afdeeling A3 2de Bureau).

Dat onder die omstandigheden met de formeele afsluiting van de overeenkomst geruime tijd gemoeid is geweest spreekt van zelf.

De- wijziging van het bestek omvatte, behalve de toepassing van caissons, een aantal bezuinigingen op de bevloering der hangars en haventerreinen en op de steenbezettingen, waardoor de meerdere kosten verbonden met den caissonbouw in hoofdzaak gecompenseerd werden.

Op blz. 7 en 8 van haar advies schrijft de Commissies

„In November 1910 toch waren de proeven op den bodem aangevangen; en openbaarde zich spoedig de dringende eisch van eene verandering in het redelijkerwijze technisch niet wel uitvoerbare werk, eene verandering dus, die niet ten genoege van de aanneemster geschiedde, zooals dit later door den dienst der Burgerlijke Openbare Werken is voorgesteld; maar waarmede beide partijen in het belang van het werk gebaat werden.

„De baggerwerken in de voorhaven konden geregeld doorgaan; doch de excavator, die de bouwput voor de kademuren in den droge zou tot stand brengen, werd een overbodig werktuig. Wel leende de dienst der Burgerlijke Openbare Werken later de aanneemster op coulante wijze klein materieel om ter plaatse van de toekomstige caisson-kademuren in den natte te baggeren, maar daar de juiste diepte der grondverbetering niet vaststond kon hier niet zoo krachtig en afdoende doorgearbeid worden, als anders mogelijk ware geweest.

„Van af 1 December 1910 tot begin September 1911 heeft de aanneemster slechts met halve kracht (terwijl hare uitgaven ongeveer normaal bleven) kunnen voortwerken".

Ten aanzien hiervan moge, in aansluiting met mijn brief van 18 Juni jl. n°. 11900/H.W., worden opgemerkt dat de wijziging van het ontwerp wel degelijk in de eerste plaats in het belang van de aannemers strekte en de Heer Van Thiel de Vries tegenover mij dan ook zeer bepaald zijn bijzondere ingenomenheid daarmede betoonde.

Dat de aannemers in het jaar 1911 niet krachtig hebben voortgewerkt is niet aan de wijziging van het ontwerp te wijten. Dit zou hoogstens tusschen 22 Mei 1911, toen de gegraven putten tot de conclusie leiden dat wijziging van het ontwerp aanbeveling zou verdienen, en 11 September 1911, toen omtrent de wijziging tot algeheele overeenstemming was gekomen, dus gedurende ruim 3% maand, van invloed hebben kunnen zijn.

Indien deze omstandigheid werkelijk van invloed was geweest, zou de Directie zeker geen reden hebben gevonden om bij de aannemersmaatschap, in het bijzonder gedurende 1911, bij herhaling mondeling en ook schriftelijk ter bespoediging van het werk op aanschaffing van de vereischte materialen aan te dringen, zooals uit het jaarverslag over 1911 van den Hoofdingenieur Kruimel kan blijken dat geschied is.

Hoewel ook bij het oorspronkelijke ontwerp op eene fundeering van gewapend beton was gerekend, was op ultimo December 1911 bijv. nog slechts aanwezig 1500 vaten portlandcement, 150 ton ijzer, benevens 1500 tegels.

Er is alle reden om aan te nemen dat de ongunstige finantieele toestand van de maatschap toen reeds den voortgang van het werk in den weg heeft gestaan.