is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerp eener regeling van den privaatrechtelijken toestand der Chinezen in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor Chineesche zaken aldaar, de heer H. J. F. Borel, o.a. dat, indien hij wel is ingelicht, de nieuwe wetten in China enkel het monogamistisch huwelijk zullen erkennen. Ook Mr. Frombero sprak zich in dien geest uit in zijn op 19 November 1912 in de vergadering van het Indisch genootschap te 's-Gravenhage gehouden voordracht.

Naar aanleiding daarvan werd bij dezerzijdsch schrijven van 9 Mei 1913 No. 6722 de adviseur voor Chineesche zaken alhier verzocht te willen mededeelen, of iets dienaangaande bekend was. Bij zijn schrijven van 20 September d. a. v. No. 291 bood die ambtenaar mij aan een vertaling van het sedert gereed gekomen ontwerp van het Chineesche burgerlijk wetboek, voorzoover noodig ter beantwoording van de hem gedane vraag. Ofschoon in dat ontwerp van een strenge monogamie in westerschen zin geen sprake is, bleek daaruit toch onder meer, dat men in China wilde breken met hetgeen tot dusverre had gegolden ten aanzien van de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of juister ten aanzien van de verstooting der vrouw. Was tot heden van een optreden der vrouw tegen den man tot echtscheiding wegens bepaalde handelingen van dezen geen sprake, in het Chineesch ontwerp wordt uitdrukkelijk het recht van de vrouw daartoe erkend; de bekende zeven redenen, op grond waarvan de man zijn vrouw kon verstooten, worden niet meer genoemd; echtscheiding om bepaalde redenen wordt door den rechter uitgesproken.

Ten einde te kunnen nagaan in hoever ook op andere punten het westersche recht was gevolgd, achtte ik het noodzakelijk kennis te nemen van de geheele regeling in het ontwerp Chineesch burgerlijk wetboek van het familie- en erfrecht. Bij mijn schrijven van28 0ctober 1913 No. 16040 verzocht ik mitsdien Uwe Excellentie den adviseur voor Chineesche zaken alhier te doen opdragen ten behoeve van mijn departement een vertaling van dat familie- en erfrecht te vervaardigen, en mij te machtigen met het Chineesche ontwerp, v.z.v. die onderdeden van het burgerlijk recht betreft, bij de tè ontwerpen nieuwe regeling rekening te houden.

Aan dit verzoek werd voldaan, en bij schrijven van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur dd. 15 December 1913 No 8276 werd mij de bedoelde vertaling toegezonden.

Intusschen was reeds aan het ontwerpen eener regeling van den privaatrechtelijken toestand der Chineezen zeer veel arbeid besteed, doch, gebaseerd als zij v/as op de zoogenaamde godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Chineezen in den geest van het ontwerp-FROMBERG, voldeed zij mij niet en kon zij ook m i. om verschillende redenen niet voldoen.

De eerste dier redenen is de onzekerheid met betrekking tot hetgeen volgens die godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken als recht moet worden aangenomen.

De kennisneming van het Chineesche ontwerp heeft mij gesterkt in mijn reeds tevoren bestaande overtuiging, dat omtrent de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Chineezen zoo weinig zekerheid bestaat, dat een regeling, waarbij met die wetten, instellingen en gebruiken rekening moet worden gehouden, voor een groot deel slechts fantasie-recht kan bevatten, dat niemand kan bevredigen.