is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerp eener regeling van den privaatrechtelijken toestand der Chinezen in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zij mij vergund door eenige voorbeelden de juistheid mijner opvatting aan te toonen.

De orde van erfopvolging ab intestato is volgens het Burgerlijk Wetboek aldus:

le. bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn;

2e. ouders, broeders, zusters en afstammelingen van dezen;

(na kloving der nalatenschap in twee, afzonderlijk te

beërven, gedeelten) 3e. de adscendenten van tweeden en verderen graad; 4e. de overige zijverwanten; 5e. de langstlevende echtgenoot.

In het ontwerp Fromberg en dat der Staatscommissie zijn de bepalingen van de eerste en tweede afdeeling van den twaalfden titel van het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek op Chineezen toepasselijk verklaard met dien verstande evenwel dat in de orde van erfopvolging de man de tweede plaats inneemt, zoodat die orde als volgt is gewijzigd:

le. bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn; 2e. de man;

3e. de ouders, broeders, zusters en afstammelingen van dezen;

(na kloving der nalatenschap in twee, afzonderlijk te beërven, gedeelten) 4e. de adscendenten van tweeden en verderen graad; 5e. de overige zijverwanten; 6e. de vrouw.

Deze afwijking wordt hierdoor gemotiveerd, dat volgens het Burgerlijk Wetboek het vermogen der vrouw, die zonder kinderen overlijdt, waar geen gemeenschap van goederen bestaat, tot haar eigen bloedverwanten terugkeert met uitsluiting van den man, en deze voor Chineezen scherpe kant van ons erfrecht, die bij ons door het bestaan van gemeenschap van goederen bij huwelijk grootendeels weggenomen wordt, behoort geneutraliseerd te worden door den man in dusdanig geval aan de bloedverwanten der vrouw te doen voorgaan.

Mr. Paets tot Gansoyen, (Eenige opmerkingen over het ontwerp eener nieuwe regeling van den privaatrechtelijken toestand der Chineezen in Nederlandsch-Indië, blz. 61) acht geen voldoende redenen aanwezig om tusschen man en vrouw onderscheid te maken, en zou de afwijking met betrekking tot den langstlevenden echtgenoot op beide echtgenooten willen toepassen. Verder wordt door hem aangevoerd, dat het Chineesche recht alleen erfrecht van de nederdalende linie kent, en naast dat erfrecht het principe geldt, dat het vermogen van een minderjarig of kinderloos overleden zoon geacht wordt nog deel uit te maken van het vaderlijk vermogen, en bij vooroverlijden van den minderjarig overledene ook nog daarvan deel uitmaakt en dus vervalt aan de erfgenamen van den vader, en komt hij, met die begrippen rekening houdende, tot de volgende orde van erfopvolging (blz. 67, 68 en 70): le. nakomelingen, 2e. langstlevende echtgenoot, 3e. ouders of de langstlevende van hen, 4e. broeders en zusters dan wel hun nakomelingen.

Prof. De Groot (Indisch Weekblad van het Recht No. 1822)