is toegevoegd aan uw favorieten.

Gewijzigd ontwerp B, tot herziening der agrarische verordeningen voor de Gouvernementslanden op Java en Madoera

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprake is van vervreemding of anderen afstand van grond, gelijk de daarbij gestelde aanteekeningen doen blijken.

Voorts is de toepassing van het artikel niet beperkt tot nietInlanders, zoodat ook aan Inlanders grond in eigendom kan worden afgestaan, onverschillig of de aanvrager al of niet het Inlandsch bezitsrecht op den begeerden grond heeft. Dit is ook thans mogelijk en komt vaak voor. Voorzooveel de aangevraagde grond tot het vrij Staatsdomein behoorde, is de bevoegdheid om dien grond aan een Inlander in eigendom af te staan nimmer in twijfel getrokken.

Anders was het, indien een Inlander dien titel verlangde op grond, door hem reeds erfelijk individueel bezeten.

Voor die gevallen werd, na eene uitgebreide gedachtenwisseling, weergegeven op bl. 35—42 der Nota over den agrarischen eigendom, bij artikel 1 van het Indisch besluit van 27 Juni 1879-n? 9 (Bijblad 11? 3465) aangeteekend:

„dat kleine stukken gronds, waarop erfelijk individueel bezitsrecht wordt uitgeoefend, gelegen binnen de hoofdplaatsen van residentiën, assistentresidentiën of binnen andere daarvoor in aanmerking komende plaatsen, op denzelfden voet als gronden, waarop dat bezitsrecht niet gevestigd is, aan Inlanders in eigendom kunnen worden afgestaan op den voet van artikel 62, 2e alinea, Begeeringsreglement."

Deze beschikking opende de gelegenheid om ook den in voormelden rechtstoestand verkeerenden grond aan den bezitter in z. g. vollen eigendom af te staan, mits. die grond gelegen was op de hooger genoemde plaatsen.

Die restrictie zal dienen te vervallen; er is toch geen enkele reden waarom, ten aanzien van de verkrijging van den eigendom van grond, Inlanders niet op gelijke wijze zouden moeten worden behandeld als niet-Inlanders, zoodat ook de eersten dien eigendom moeten kunnen erlangen, ongeacht de ligging van den grond, mits deze overigens in algemeenen zin voor afstand met dien titel vatbaar is gebleken.

De gelijkstelling te dezen opzichte van Inlanders met nietInlanders zal voorts medebrengen het behoud van de op voormeld besluit steunende practijk om afstand in eigendom van erfelijk individueel bezeten grond aan den Inlandschen bezitter „op d e n z e 1 f d e n voet" te doen geschieden als bepaald is voor den eigendomsafstand van vrij Staatsdomein.

In beide gevallen zal bijgevolg een zelfde koopsom gevorderd moeten worden, zonder te onderscheiden naar den landaard van den aanvrager.

De vraag zou kunnen rijzen, of aldus niet aan de billijkheid wordt te kort gedaan.

Voor eene bevestigende beantwoording zou zijn aan te voeren, dat het kwalijk billijk ware te noemen, van den erfelijk individueelen grondbezitter voor de toekenning van den vollen eigendomstitel evenveel aan koopsom te vorderen als van een ander, die in het geheel geen recht op den grond heeft, en zulks niettegenstaande het erfelijk individueel bezit een bij de Wet erkend zakelijk recht is, den Westerschen eigendom zeer nabij komende, welke overweging er toe zou moeten leiden in het gesteld geval aan koopsom niet meer dan een klein deel te eischen van hetgeen gevorderd zou zijn, indien geen bezitsrecht op den grond bestond.

Wat zou echter vermoedelijk het gevolg daarvan zijn? Dat de niet-Inlander, die, op eigen naam het eigendomsrecht aanvragende, daarvoor de volle koopsom zou hebben te betalen, ten nadeele van den Lande en van den Inlandschen bezitter zelf, dezen zou bewegen om dat recht voor zich aan te vragen, echter met de bedoeling om het na den afstand aanstonds aan den eerste over te dragen.

Uit een oogpunt van billijkheid de koopsom gereduceerd