is toegevoegd aan uw favorieten.

Gewijzigd ontwerp B, tot herziening der agrarische verordeningen voor de Gouvernementslanden op Java en Madoera

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarmede is' rekening gehouden bij de artikelen 21—25 van dit Ontwerp.

Voormeld karakter van het recht niet uit het oog verliezende, zal het evenzeer duidelijk zijn, dat eene voorziening als bedoeld op bl 83 van dé Nota over den agrarischen eigendom, strekkende om het agrarisch eigendomsrecht te doen vervangen door den z. g. Westerschen eigendom, overbodig mag heeten. Immers, zoomin als er bezwaar in is gezien — ten rechte — om erfelijk individueel bezeten gronden aan den bezitter in vollen eigendom af te staan (zie onder artikel 6, bl. 26 hiervoren), behoeft bedenking te worden gemaakt tegen zoodanigen afstand van grond, waarop het geregistreerdjerfelijk individueel bezitsrecht — d. i. het agrarisch eigendomsrecht — rust. In beide gevallen zal die afstand behooren té geschieden tegen betaling van dezelfde koopsom, vermits er toch geen enkele réden zou zijn om, na de kosteloos verleende „registratie" van het erfelijk individueel bezitsrecht, voor den afstand van den vollen eigendom minder aan koopsom te vorderen dan vóór die registratie zou zijn geschied.

Dat die afstand gepaard zou moeten gaan met eene aanteekening op de betrekkelijke akte van den agrarischen eigendom of andere handeling ter constateering van den tenietgang van dien titel, waartoe eene speciale voorziening vereischt zal zijn, valt niet te ontkennen; daarmede is rekening gehouden bij de formuleering van artikel 20.

De vraag zou nog kunnen rijzen of, al kan het agrarisch eigendomsrecht niet vatbaar zijn om te worden vervreemd aan- of langs anderen weg over te gaan op een niet-Inlander, te zijnen behoeve niet de conversie van dien titel in den vollen eigendom ware mogelijk te maken, tegen betaling, in dit geval niet van eene koopsom, aangezien daarbij van afstand of verkoop geen sprake zou zijn, maar van eene vergoeding tot gelijk bedrag.

Op deze vraag schijnt slechts een ontkennend antwoord passend.

Vooreerst toch zou in bedoelde handelwijze, waartoe ten overvloede de tot dusver bekende uitkomsten van de practijk zeker niet dwingen, welbeschouwd niet anders te zien zijn dan een vermomden afstand in eigendom van grond, waarop een niet voor overgang aan een niet-Inlander vatbaar recht gevestigd is.

Maar, afgescheiden daarvan, zou het moeilijk verklaarbaar wezen waarom' een speciaal middel zou moeten worden bedacht om den niet-Inlander in staat te stellen rechtstreeks — immers door conversie — den vollen eigendom te verkrijgen van grond, waarop een Inlander het geregistreerd erfelijk individueel bezitsrecht heeft, tenzij daarmede beoogd werd de verkrijging van gronden van Inlanders voor den niet-Inlander te vergemakkelijken, in welk geval echter bedoeld middel niet in overeenstemming zon zijn met een der niet prijs te geven grondbeginselen van de vigeerende agrarische wetgeving, welke die verkrijging juist niet gemakkelijk wil zien gemaakt.

Heeft de Inlander, tegen betaling, den vollen eigendom verkregen, dan kan de niet-Inlander dat recht koopen en te zijnen name doen overschrijven.

Om de reden, vermeld onder artikel 14, is in de voorgestelde bepaling geen gewag gemaakt van het erfelijk individueel bezitsrecht, maar van het „Inlandsch bezitsrecht".

Het gevolg daarvan zal zijn, dat ook de Inlandsche gemeente het door haar uitgeoefend recht zal kunnen doen vervangen door het agrarisch eigendomsrecht, hetzij op het geheel, hetzij op een deel van den gemeentelijk bezeten grond.