is toegevoegd aan uw favorieten.

Hervorming van het staatsspoorwegbedrijf in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door eene rationeele indeeling van de begrooting en door eene scherpere afscheiding tusschen gewone en . buitengewone uitgaven is in de laatste jaren, vooral bij het Departement van Gouvernementsbedrijven, getracht eenigermate in deze leemte te voorzien. Toch zal het daarbij wel niet kunnen blijven en voor de boven vermelde moeielijkheid eene oplossing moeten worden gevonden, opdat ook voor de Indische bedrijven het gewenschte verband tusschen begrooting en commerciëele boekhouding worde verkregen.

De tot nu toe besproken maatregelen — invoering van eene commerciëele boekhouding en Bedrijvenwet— beoogen strikt genomen slechts eene verbetering van den vorm, waaronder de werkelijke en geraamde uitkomsten van de bedrijven en hunne geldelijke beteekenis voor de schatkist worden weergegeven.

Toch zijn zij ook voor het wezen der zaak niet zonder beteekenis, omdat een juiste kennis van de bedrijfsresultaten en van factoren, waarvan deze afhankelijk zijn, onmisbaar is zoowel voor een goed bedrijfsbeheer als voor eene doeltreffende en zaakkundige controle van dat beheer.

De aandrang, zeowel uit de Staten-Generaal als uit den boezem der Staatsbedrijven zeiven, is echter geleidelijk verder gegaan in den zin van maatregelen meer rechtstreeks bevorderlijk voor een doeltreffend en praktisch beheer, zoowel in administratief als in financiëel opzicht.

Van verschillende zijden is daartoe aanbevolen, om aan belangrijke bedrijven met min of meer commerciëele strekking rechtspersoonlijkheid te verleenen met eigen vermogen en budget.

Reeds in 1904 werd dit denkbeeld door den Mijnraad in Nederland ter sprake gebracht en den ondergeteekende — toenmaals DirecteurGeneraal van de Staatsmijnen in Limburg — opdracht gegeven om dat denkbeeld in studie te nemen. Een uitvoerig rapport werd daarover door hem in 1907 aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel uitgebracht, waarvan de conclusie strekte ten gunste van het verleenen van rechtspersoonlijkheid aan genoemd bedrijf.

Met betrekking tot de Indische Gouvernementsbedrijven is vooral Dr. D. Bos in de Tweede Kamer als woordvoerder ten gunste van dien maatregel opgetreden. In zijn meergenoemd „Eindrapport" had dit Kamerlid trouwens reeds een warm pleidooi gehouden voor de organisatie van belangrijke bedrijven als rechtspersoon, en zelfs de omwerking van de begrooting in den zin van de Bedrijvenwet daarvan afhankelijk gesteld. „Nadrukkelijk", zegt Dr. Bos, „merk ik op, dat in den regel naar mijne „meening het aannemen van een netto-budget moet medebrengen het „organiseeren van den dienst bij de wet als een afzonderlijk rechtspersoon „met eigen vermogen."

Naast den pandhuis-dienst wordt in het rapport vooral die der Staatsspoorwegen genoemd als voor zoodanige reorganisatie in aanmerking komend.

bezigd de balans en bedrijfsrekening over het jaar, dat drie jaren aan het begrootingsjaar voorafgaat 1

Deze moeielfikheid dreigt nog te worden verscherpt, wanneer tot voorafgaande behandeling van de begrooting in Indië zelf door een in te stellen „Kolonialen Raad" mocht worden besloten.