is toegevoegd aan uw favorieten.

Hervorming van het staatsspoorwegbedrijf in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijgevige gedragslijn ontbreekt, dat het zelfs aan twijfel onderhevig is of Gouverneur-Generaal en Departementschef daartoe in verband met hunne wettelijke verantwoordelijkheid wel gerechtigd zijn.

Bij de beoordeeling van dit punt moet wel in bet oog worden gehouden, dat de verhouding van het bedrijfsbestuur tot Regeering en Parlement bij de Indische bedrijven veel minder eenvoudig is dan bij de Staatsbedrijven in Nederland. Bij deze staat het bestuur rechtstreeks onder den Minister en deze als verantwoordelijk Staatsman tegenover het Parlement; bij de Indische bedrijven daarentegen staat het bestuur onder den Departementschef, die „onder de bevelen en het oppertoezicht van den Gouverneur-Generaal" het bedrijf beheert of heet te beheeren (art 64 R. R.). Voor zoover deze de zaken kan afdoen gaat alles zeer eenvoudig, temeer omdat het bedrijfsbestuur met zijn hoofdbureau zelf de rol van spoorwegafdeeling bij het departement vervult. Moet goedkeuring of machtiging van den Landvoogd worden gevraagd, dan wordt minstens de Algemeene Secretarie en dikwijls ook de Raad van Indië gehoord. Wat hóógere goedkeuring of machtiging vereischt, komt eerst na al die instanties te hebben doorloopen, bij den Minister om daar den gewonen weg te volgen.

Beperking van zoo omslachtige en tijdroovende behandeling tot het hoognoodige, klaardere verhoudingen en duidelijke vastlegging van verantwoordelijkheid en bevoegdheid is hier dan ook, veel meer dan in Nederland, geboden — ook als maatregel van decentralisatie, waardoor aan de hoogste regeeringsorganen werk en tijd wordt bespaard.

Hiertegenover mag intusschen het bezwaar niet onvermeld blijven, dat juist in zulk een kolonie tegen het toekennen van groote zelfstandigheid aan bedrijfsbestuurders kan worden ingebracht, t. w. dat de keus van personen, die voor het bestuur van een belangrijk bedrijf de noodige geschiktheid en ervaring bezitten, zeer beperkt is. Dit bezwaar geldt echter meer de bedrijven met een klein personeel van hooger geschoolde krachten; voor de Staatsspoorwegen met hun talrijk hooger ontwikkeld personeel weegt het bezwaar minder — te minder omdat de hooge positie en bezoldiging de betrekking van bedrijfsleider ook voor de beste krachten aantrekkelijk maakt.

Toch mag dat bezwaar niet geheel worden weggecijferd; mede met het oog op de veelvuldige personeels-wisseling in den Indischen dienst verdient daarom ernstige overweging, het beheer van de Staatsspoorwegen, vooral als dat een autonoom bedrijf wordt, niet meer aan een enkelen bedrijfschef maar aan een meerhoofdig bestuur op te dragen. De daarin gelegen waarborg tegen ondoordachte handelingen en tot verzekering van de gewenschte continuïteit moeten in dit geval n. h. v. zwaarder worden geacht dan de aan het éénhoofdig bestuur verbonden voordeelen.

De mogelijkheid van uitschakeling van de Indische Comptabiliteitswet en verschillende omslachtige administratieve bepalingen en de vervanging daarvan door een minder omslachtige en tevens veel effectiever regeling, is voor Indië een zaak van groot belang. Niettegenstaande de Indische Rekenkamer ten aanzien van verantwoordingsstukken en betalingsbewijzen veel lager eischen stelt dan de Nederlandsche, vordert de opmaking daarvan alleen voor de Staatsspoorwegen een klein leger van